aug 282019
 

Gezichtsherkenning is hot. En iedereen kan het: met een kleine ESP32 kom je al een heel eind. In China doen ze het gewoon, in Zweden dachten ze dat een klein experiment met een klas van zo’n 20 studenten geen kwaad zou kunnen. Ze wilden uitproberen of een camera met gezichtsherkenning goed kon werken als vervanging voor de dagelijkse “roll call”, het handmatig bijhouden van de aanwezigheid van studenten bij de hogeschool. Natuurlijk vroegen ze wel netjes de studenten om toestemming voor deelname aan het experiment dat zo’n 3 weken zou duren.

De Zweedse Datainspektionen dienst leerde via de media van het experiment en ging op onderzoek uit.
Conclusie: het vragen van toestemming aan studenten was hier onvoldoende grondslag omdat er sprake is van een afhankelijke relatie tussen de student en de school (bron).

De boete die de school kreeg “viel nog mee”, het was een bedrag van  €19.000 (200.000 SEK). Het maximale boetebedrag had 5x zo hoog kunnen zijn. Maar het geeft wel aan dat ook bij onderzoek naar dit soort technologieën, waarbij gevoelige biometrische data van studenten opgeslagen wordt, je heel goed vooraf moet nadenken over hoe de data opgeslagen wordt, hoe lang hij bewaard wordt én de wijze waarop je toestemming voor deelname kunt/moet verkrijgen.

Het scheelt je waarschijnlijk ook heel wat onderzoek, want in dit geval is wel duidelijk dat in Zweden (ik neem aan in heel Europa) het gebruik van gezichtsherkenning voor het bijhouden van aanwezigheid van studenten dus uit den boze is. Want als je dit structureel in wilt voeren dan loop je tegen het probleem aan dat je niet kunt volstaan met het vragen van toestemming omdat studenten dan niet/nauwelijks kunnen weigeren.

Het is ook wel grappig want enerzijds kan ik me de publieke verontwaardiging hierover helemaal voorstellen (“dat doe je toch ook niet!”) en als je het artikel over de voorbeelden in China leest dan wíl je waarschijnlijk gewoon ook niet met dit soort technologie in de klas aan de slag.
Maar van de andere kant kan ik me ook indenken hoe de redenatie in Zweden was: “we houden nu toch ook de presentie van studenten bij, waarom dat niet eenvoudiger maken door het automatisch te doen, is toch voor iedereen prettiger?”.  😉

(getipt door The Next Web)

Deel dit bericht:
jan 312019
 

Er verscheen vandaag een mooi onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen en Vrije Universiteit Amsterdam. Zij onderzochten namelijk de veel gestelde vraag: gaan leerlingen beter presteren als ze regelmatiger (tijdens de schooldag) bewegen?

Voor de duidelijkheid: gymles op school is hoe dan ook goed voor de gezondheid van leerlingen. Maar het onderzoek wilde antwoord geven op de vraag welke effecten fysieke activiteit heeft op de cognitie van kinderen in het primair onderwijs.

Dat pakten ze op twee manieren aan: met een literatuurstudie én met een tweetal experimenten waarbij ze keken of ze de vanuit de literatuurstudie verwachte effecten konden reproduceren.

Het complete rapport (120 pagina’s) is hier te downloaden (PDF) maar ik wil je ook alvast de belangrijkste conclusies geven:

Uit de meta-analyse blijkt dat zowel acute fysieke activiteit (één beweegsessie) als langdurige fysieke
activiteit (een aantal weken of maanden durend) effectief is in het verbeteren van aspecten van cognitie
van basisschoolleerlingen. De fysieke activiteiten verschillen in de effecten die ze op de cognitie hebben.
Het gaat hier om een verzameling van executieve functies, (inhibitie, werkgeheugen, cognitieve
flexibiliteit en planning), aandacht en schoolprestaties (rekenen, lezen en spelling). Activiteiten van een
matig tot intensieve intensiteit, zoals hardlopen, kwamen het meeste voor. (pag. 74)

De activiteiten hebben ook invloed op de hersenen van de kinderen, al zijn de onderzoekers over die conclusies minder zeker, ze zien ze als sterke aanwijzingen:

De systematische review en meta-analyse naar hersenstructuur en neurofysiologische effecten toont aan
dat fysieke activiteit van invloed is op hersenstructuur en het neurofysiologische functioneren van gezonde kinderen. En dat deze veranderingen in enkele studies ook samengaan met verbeteringen in cognitieve
functies. Op dit vlak is echter meer onderzoek nodig, vanwege het zeer geringe aantal studies onder
gezonde kinderen. Ook de resultaten van de studies verschillen sterk. Voorlopig beschouwen we deze
resultaten als sterke aanwijzingen.

Voor het experiment werden de ongeveer 900 leerlingen (groep 5/6) van de 22 deelnemende scholen in 3 groepen ingedeeld:

  1. De eerste groep moest tijdens de gymlessen intensief bewegen (hardlopen, springen etc)
  2. De tweede groep volgde gymlessen met een cognitieve uitdaging, zoals veranderende spelregels.
  3. De derde groep leerlingen vormde de controlegroep en volgde twee keer per week de reguliere gymles.

De uit de literatuur verwachte resultaten op cognitieve vaardigheden, schoolprestaties, fitheid, motorische vaardigheden, BMI werden niet gevonden bij de 2 testgroepen versus de controlegroep.
Wel waren er verschillen te vinden toen er gekeken werd naar subgroepen binnen de testgroepen. Zo had de intensieve interventie meer effect op de fitheid van kinderen die al relatief fit waren vooraf in vergelijking tot minder fitte kinderen. Maar de cognitieve interventie werkte juist beter bij de relatief minder fitte kinderen. Ook hier dus: de interventie werkte niet voor alle kinderen op dezelfde manier of in dezelfde mate. De onderzoekers noemen dit ook bij de aanbevelingen: elk kind heeft zijn eigen benadering nodig.

Over één ding zijn literatuur en experiment het in ieder geval eens:

Het veelvuldig bewegen tijdens de schooldag moet worden gestimuleerd. Dit kan tijdens het
bewegingsonderwijs, maar ook tijdens andere lessen en in de pauzes.

p.s. Ik zeg het voor de zekerheid toch maar even: ik zeg dat hier niet als een “het onderwijs moet dit er ook nog even bij doen”. Ik vind het rapport vooral een mooie onderbouwing voor het antwoord op een vraag die wij ook van tijd tot tijd van scholen krijgen.

(getipt door het NRO)

 

Deel dit bericht:
jun 202018
 

Ik heb even dezelfde clickbait headline gebruikt als dat bright.nl gebruikt want dat trekt waarschijnlijk meer mensen naar een blogpost dan de titel “RIVM roept op om waakzaam te zijn met betrekking tot nieuwe en nog relatief onbekende technologieën, professionals zijn het er mee eens, burgers en studenten maken zich er geen zorgen over”. Was dan ook wel meer de lengte van een onderzoeksartikel of een proefschrift geweest dan van een blogpost.

Maar goed, eerst maar even linken naar het VTV 2018 waarbij VTV staat voor Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Dat is een rapport dat elke vier jaar uitgegeven wordt en dat geeft “inzicht in de belangrijkste toekomstige maatschappelijke opgaven op het gebied van ziekte en gezondheid, gezondheidsdeterminanten, preventie en gezondheidszorg in Nederland”, aldus het RIVM (het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).

De editie van 2018 bevat 13 kernboodschappen:

Toekomstige ontwikkelingen; wat komt er op ons af?
Hoe kunnen we omgaan met de opgaven die op ons afkomen?

Klik je door op “Alertheid op bekende én nieuwe risico’s nodig” (of kijk je in de PDF op pagina 25) dan zie je daar staan dat we alert moeten zijn op mogelijke risico’s die nieuwe technologieën met zich meebrengen. Daarbij worden twee voorbeelden gegeven: Virtual Reality en 3D printen. Dat hadden ook andere voorbeelden kunnen zijn. Het RIVM verwijst niet naar onderzoek waaruit is gebleken dat juist deze twee grotere risico’s met zich meebrengen, zegt alleen “Het is voorstelbaar dat langdurig verblijf in een virtuele werkelijkheid psychische en lichamelijke problemen kan veroorzaken” maar niet wat langdurig is (een uurtje, een dag, meerdere keren per week). Ook niet of dat voor bepaalde groepen gebruikers een groter risico is dan voor andere etc.

Lees je wat verder in het rapport dan hebben ze 3 groepen respondenten (professionals, burgers, studenten) gevraagd in hoeverre zij de kernboodschappen urgent vinden. En daar blijkt voor deze specifieke kernboodschap dat alleen de professionals (3 sterren op een schaal van 5) dit urgent vinden. De andere 2 groepen geven het geen sterren. Ter  vergelijking, de boodschap “Voor sommige groepen werknemers zal het moeilijk zijn om de
digitalisering bij te benen” krijgt bij de studenten 5 van de 5 sterren en bij de burger en professional géén. Maar beide scoren daarmee bijna onderaan in de rij van 41 voorgelegde items aan de drie groepen. Net boven “Flexibilisering van de arbeidsmarkt en robotisering kunnen negatieve effecten op de gezondheid hebben” en “Nieuwe technieken, zoals gentechnologie, roepen ethische vragen op” die nóg lager scoren (voorlaatste en laatste plaats in de lijst van 41).

Kijk, en dat vind ik eigenlijk een veel belangrijker signaal: de Nederlandse bevolking vind het oplossen van of nadenken over technologie gerelateerde zaken nauwelijks urgent.
Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom bij het kopje kansen en speerpunten technologie helemaal niet voor komt. Het heeft nog steeds lage prioriteit.

Is waarschijnlijk ook geen goede clickbait.

 

Deel dit bericht:
mei 232018
 

Onderdeel van de FabLearn conferentie op vrijdag 28 september in Eindhoven is een ‘onderzoekstrack’.  We nodigen onderzoekers uit om papers in te sturen, waarvan een selectie van 8 papers tijdens de conferentie gepresenteerd zullen worden. Voertaal van dit onderdeel van de conferentie is Engels. Vandaar dat de informatie op de website ook in het Engels is. Er wordt gezocht naar papers die zich richten op onderwijs en technologie met betrekking tot maken en digitale productie. De hoofdgroepen onderwerpen waar je een paper voor kunt indienen zijn:

  • Maker mindset
    What does a “maker mindset” encompass for teachers and students, and how do they develop that maker mindset?
    Guiding concepts: critical thinking and making; translating effort to learning progress; design thinking; self-efficacy; self-directed learning; open and share.
  • Maker skills
    What are the skills conveyed by maker education, and how are those skills acquired?
    Guiding concepts: comunication and collaboration, digital literacy, creative skills; STEAM; arts and crafts; craftsmanship; tinkering.
  • Maker tools and technologies
    What are the essential tools and technologies of maker education and how do they facilitate and extend learning by making?
    Guiding concepts: FabLabs and digital fabrication; robotics; electronics; material research; materiality.
  • Facilitating learning by making
    What are the pedagogical and didactical underpinnings of maker education and how are they put into practice?
    Guiding concepts: project-based education; problem-based education; constructionism; contextual learning environments; living labs.

Deadline voor het indienen van een paper is 30 juni 2018. Indienen kan/moet via dit systeem. In deze PDF staat alle informatie ook nog eens bij elkaar.
Ik ben benieuwd. Het zou heel mooi zijn als er ook vanuit Nederland zelf papers worden ingediend op dit gebied.

Disclosure: ik zit in het programmacomité

 

Deel dit bericht:
apr 042018
 

Deel dit bericht:
mrt 222018
 

Tijdens mijn promotieonderzoek heb ik veel gebruik gemaakt van SQL-server (daar zat de logdata van de opnames van de colleges waar ik onderzoek naar deed in) en SPSS (als toen meest voor de hand liggend statistiekpakket).

Ik heb sindsdien al vaker geconstateerd dat als ik nú nogmaals dat onderzoek zou doen ik waarschijnlijk in ieder geval SPSS zou hebben vervangen door R. Dat komt voor een belangrijk deel door de ervaringen die ik opgedaan heb tijdens de Data Science specialisatie bij Coursera een paar jaar geleden waar gebruik gemaakt wordt van R en de verschillende uitbreidingen.

Nou zorgt R er voor dat je eenvoudig je analyses, script, omgevingen, rapportages etc. kunt opslaan op een manier die reproductie ervan achteraf mogelijk maakt. Maar wat nou als die afhankelijk zijn van een specifieke versie van R of van de plugins? Dan biedt Docker een oplossing. Daarmee kun je namelijk “containers” downloaden die bestaan uit een specifiek setup van een R-versie en plugins. Eventueel kun je eigen specifieke plugins en uitbreidingen installeren en dan als eigen image bewaren. Dat is dan een bestand dat je bewijze van spreken bij de data en scripts kunt archiveren. Zolang Docker beschikbaar is kun je dan ten alle tijden die versie van de setup, exact zoals jij hem gebruikt hebt, opstarten en de analyses reproduceren. Mocht je dat willen dan kun je dus ook niet alleen de data maar ook de omgeving open access beschikbaar stellen en delen met andere onderzoekers. Die hoeven dan niet helemaal een omgeving in te richten met die tools, maar kunnen hem draaien naast eventueel andere omgevingen die ze zelf hebben. En ook: nieuwe laptop van de baas? Geen probleem. Als je docker installeert kun je in no time je omgeving weer opstarten en beschikbaar hebben met de setup die je had.

Super toch? En dat allemaal zonder jaarlijkse licentiekosten!
Overigens, het Rocker Project dat zorgt voor R-images binnen Docker bestaat al lang (sinds 2014)

Deel dit bericht:
mrt 112018
 

In de categorie “Wauw” valt dit artikel (pdf) van onderzoekers bij Carnegie Mellon University. Zij hebben een manier bedacht om 3D-modellen die je normaal gesproken naar een 3D-printer zou sturen om te zetten naar instructies voor een machinale breimachine. In plaats van een hard konijn uit PLA of ABS krijg je dan een zacht, knuffelbaar konijn.

Op de projectsite staan een filmpje met uitleg, het artikel en een ZIP-bestand met aanvullende materialen zoals een PDF met psuedocode, meer foto’s van de resultaten, zowel net gebreid als met vulling, en een overzicht van een aantal termen die met breien te maken hebben.

Nou heb ik geen breimachine, maar zelfs als je die wel hebt dan kun je de software nog niet zelf uitproberen. Die staat namelijk nog niet online. Ik neem aan dat dit project van een jaar eerder waarbij een compiler is ontwikkeld voor het aansturen van breimachines, een basis gevormd heeft voor dit nieuwe project.

Ook van dat oudere project staat geen code online, maar daar was wel een filmpje via YouTube beschikbaar waarin ook eerst het hele machinale breiproces uitgelegd wordt.  Ik heb die onder aan dit bericht bijgevoegd.

Het wachten is dus nog op software die de algoritmen van de onderzoekers gebruikt zodat mensen er daadwerkelijk ook buiten een onderzoeksetting mee aan de slag kunnen.

Deel dit bericht:
sep 212017
 

EVALUATION FRAMEWORK FOR LABij learning analytics gaat het om het meten, verzamelen, analyseren en rapporteren van en over data van leerlingen en hun context, met als doel het begrijpen en optimaliseren van het leren en de omgeving waarin dit plaatsvindt. De terugkoppeling van deze analyses kan leiden tot effectiever handelen door de leraar, leerling of bijvoorbeeld de ontwikkelaar van lesmateriaal (Woning, 2012).

Het is nog een vakgebied dat sterk in ontwikkeling is. De discussie over wat je moet meten, hoe je moet meten, welke conclusies je wel of niet mag trekken op basis van data (“een student is geen getal”), je kunt er eindeloze discussies over voeren.

De vraag naar een evaluatieraamwerk voor learning analytics tools was er niet meteen eentje die ik daarbij als veelgestelde vraag voorbij heb zien komen. Toch is Maren Scheffel er al een tijdje mee bezig want morgen promoveert ze bij de Open Universiteit op dit onderwerp.

Het raamwerk, gericht op studenten en docenten staat online bij LACE. De resulterende “vragenlijst/scorekaart” ziet er eenvoudig en bruikbaar uit. Het is een compacte lijst vragen en geeft je alleen een score op deelgebieden. Het verteld je (uiteraard) nog niet hoe je dan een tool zou moeten aanpassen om een betere score te krijgen.

Ik heb het proefschrift zelf ook nog niet gelezen, ik kan dus ook nog geen inschatting maken over hoe betrouwbaar de score is die de scorekaart oplevert, hoe direct de relatie tussen ingevulde scores en daadwerkelijk gedrag is etc. Wordt nog vervolgd.

Deel dit bericht:
jul 012017
 

Als ik op Google zoek op “van gelijk hebben naar gelijk krijgen” kom ik ook berichten tegen met titels als “Wil je gelukkig zijn of gelijk krijgen?” die niet helemaal hetzelfde bedoelen als wat ik wilde zeggen. De aanleiding is dit bericht getiteld “Why mythbusting fails: A guide to influencing education with science“. Het bericht trekt een analogie tussen de discussie over klimaatverandering en de discussie over leerstijlen. Je weet wel, dat ding waar “alle” docenten van volhouden dat ze wel bestaan en “alle” onderzoekers roepen dat ze niet bestaan. En het lukt onderzoekers maar niet om die koppige docenten te overtuigen. Er zijn boeken over geschreven en open brieven ondertekend door heel veel knappe koppen over in de krant gezet.

Begrijp me niet verkeerd: ik heb de onderzoeken gelezen, ken de boeken die precies het tegendeel beweren (dat je wél rekening moet houden met “leerstijlen”) en net als bij de discussie over klimaatverandering zit ik aan de kant van de wetenschap. En ondanks dat, en ondanks het feit dat ik geen docent (meer) ben, heb ik moeite met de manier waarop de boodschap over leerstijlen vaak gebracht wordt.  Het artikel op Deans for Impact betoogt dat de huidige manier van “uitleggen” van de boodschap door onderzoekers juist meer leidt tot polarisering en hakken in het zand gedrag dan dat het helpt.

Er worden in het artikel een aantal zaken gesteld:
1) wat is het nou precies waar leraren in geloven en waarom?
Als een leraar gelooft dat er verschillen zitten in de manier waarop kinderen leren is de kans aanwezig dat ze dat een leerstijl noemen. Of ze dan automatisch bedoelen dat een leerling 1 leerstijl heeft die altijd constant is én dat ze daar altijd op in moeten spelen, is dan een heel andere vraag. Zinvol om helder te krijgen.

2) welke wetenschappelijke uitgangspunten moet een leraar dan wél begrijpen?
Dit gaat uit van het principe: roep niet alleen hard wat niet juist is, laat ze ervaren wat wél werkt. Want je laat het ene idee niet los als je er geen beter idee/aanpak voor in de plaats hebt.

3) Zorg voor mogelijkheden om te oefenen!
Denk na over manieren waarop leraren de mogelijkheid en ruimte krijgen om zelf oefenen met manieren waarop ze in de klas / op school effectief om kunnen gaan met de verschillen tussen leerlingen.

Drie verstandige uitgangspunten wat mij betreft.

(getipt door Willem van Valkenburg)

Deel dit bericht: