jun 202018
 

Ik heb even dezelfde clickbait headline gebruikt als dat bright.nl gebruikt want dat trekt waarschijnlijk meer mensen naar een blogpost dan de titel “RIVM roept op om waakzaam te zijn met betrekking tot nieuwe en nog relatief onbekende technologieën, professionals zijn het er mee eens, burgers en studenten maken zich er geen zorgen over”. Was dan ook wel meer de lengte van een onderzoeksartikel of een proefschrift geweest dan van een blogpost.

Maar goed, eerst maar even linken naar het VTV 2018 waarbij VTV staat voor Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Dat is een rapport dat elke vier jaar uitgegeven wordt en dat geeft “inzicht in de belangrijkste toekomstige maatschappelijke opgaven op het gebied van ziekte en gezondheid, gezondheidsdeterminanten, preventie en gezondheidszorg in Nederland”, aldus het RIVM (het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).

De editie van 2018 bevat 13 kernboodschappen:

Toekomstige ontwikkelingen; wat komt er op ons af?
Hoe kunnen we omgaan met de opgaven die op ons afkomen?

Klik je door op “Alertheid op bekende én nieuwe risico’s nodig” (of kijk je in de PDF op pagina 25) dan zie je daar staan dat we alert moeten zijn op mogelijke risico’s die nieuwe technologieën met zich meebrengen. Daarbij worden twee voorbeelden gegeven: Virtual Reality en 3D printen. Dat hadden ook andere voorbeelden kunnen zijn. Het RIVM verwijst niet naar onderzoek waaruit is gebleken dat juist deze twee grotere risico’s met zich meebrengen, zegt alleen “Het is voorstelbaar dat langdurig verblijf in een virtuele werkelijkheid psychische en lichamelijke problemen kan veroorzaken” maar niet wat langdurig is (een uurtje, een dag, meerdere keren per week). Ook niet of dat voor bepaalde groepen gebruikers een groter risico is dan voor andere etc.

Lees je wat verder in het rapport dan hebben ze 3 groepen respondenten (professionals, burgers, studenten) gevraagd in hoeverre zij de kernboodschappen urgent vinden. En daar blijkt voor deze specifieke kernboodschap dat alleen de professionals (3 sterren op een schaal van 5) dit urgent vinden. De andere 2 groepen geven het geen sterren. Ter  vergelijking, de boodschap “Voor sommige groepen werknemers zal het moeilijk zijn om de
digitalisering bij te benen” krijgt bij de studenten 5 van de 5 sterren en bij de burger en professional géén. Maar beide scoren daarmee bijna onderaan in de rij van 41 voorgelegde items aan de drie groepen. Net boven “Flexibilisering van de arbeidsmarkt en robotisering kunnen negatieve effecten op de gezondheid hebben” en “Nieuwe technieken, zoals gentechnologie, roepen ethische vragen op” die nóg lager scoren (voorlaatste en laatste plaats in de lijst van 41).

Kijk, en dat vind ik eigenlijk een veel belangrijker signaal: de Nederlandse bevolking vind het oplossen van of nadenken over technologie gerelateerde zaken nauwelijks urgent.
Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom bij het kopje kansen en speerpunten technologie helemaal niet voor komt. Het heeft nog steeds lage prioriteit.

Is waarschijnlijk ook geen goede clickbait.

 

Deel dit bericht:
mei 232018
 

Onderdeel van de FabLearn conferentie op vrijdag 28 september in Eindhoven is een ‘onderzoekstrack’.  We nodigen onderzoekers uit om papers in te sturen, waarvan een selectie van 8 papers tijdens de conferentie gepresenteerd zullen worden. Voertaal van dit onderdeel van de conferentie is Engels. Vandaar dat de informatie op de website ook in het Engels is. Er wordt gezocht naar papers die zich richten op onderwijs en technologie met betrekking tot maken en digitale productie. De hoofdgroepen onderwerpen waar je een paper voor kunt indienen zijn:

  • Maker mindset
    What does a “maker mindset” encompass for teachers and students, and how do they develop that maker mindset?
    Guiding concepts: critical thinking and making; translating effort to learning progress; design thinking; self-efficacy; self-directed learning; open and share.
  • Maker skills
    What are the skills conveyed by maker education, and how are those skills acquired?
    Guiding concepts: comunication and collaboration, digital literacy, creative skills; STEAM; arts and crafts; craftsmanship; tinkering.
  • Maker tools and technologies
    What are the essential tools and technologies of maker education and how do they facilitate and extend learning by making?
    Guiding concepts: FabLabs and digital fabrication; robotics; electronics; material research; materiality.
  • Facilitating learning by making
    What are the pedagogical and didactical underpinnings of maker education and how are they put into practice?
    Guiding concepts: project-based education; problem-based education; constructionism; contextual learning environments; living labs.

Deadline voor het indienen van een paper is 30 juni 2018. Indienen kan/moet via dit systeem. In deze PDF staat alle informatie ook nog eens bij elkaar.
Ik ben benieuwd. Het zou heel mooi zijn als er ook vanuit Nederland zelf papers worden ingediend op dit gebied.

Disclosure: ik zit in het programmacomité

 

Deel dit bericht:
apr 042018
 

Deel dit bericht:
mrt 222018
 

Tijdens mijn promotieonderzoek heb ik veel gebruik gemaakt van SQL-server (daar zat de logdata van de opnames van de colleges waar ik onderzoek naar deed in) en SPSS (als toen meest voor de hand liggend statistiekpakket).

Ik heb sindsdien al vaker geconstateerd dat als ik nú nogmaals dat onderzoek zou doen ik waarschijnlijk in ieder geval SPSS zou hebben vervangen door R. Dat komt voor een belangrijk deel door de ervaringen die ik opgedaan heb tijdens de Data Science specialisatie bij Coursera een paar jaar geleden waar gebruik gemaakt wordt van R en de verschillende uitbreidingen.

Nou zorgt R er voor dat je eenvoudig je analyses, script, omgevingen, rapportages etc. kunt opslaan op een manier die reproductie ervan achteraf mogelijk maakt. Maar wat nou als die afhankelijk zijn van een specifieke versie van R of van de plugins? Dan biedt Docker een oplossing. Daarmee kun je namelijk “containers” downloaden die bestaan uit een specifiek setup van een R-versie en plugins. Eventueel kun je eigen specifieke plugins en uitbreidingen installeren en dan als eigen image bewaren. Dat is dan een bestand dat je bewijze van spreken bij de data en scripts kunt archiveren. Zolang Docker beschikbaar is kun je dan ten alle tijden die versie van de setup, exact zoals jij hem gebruikt hebt, opstarten en de analyses reproduceren. Mocht je dat willen dan kun je dus ook niet alleen de data maar ook de omgeving open access beschikbaar stellen en delen met andere onderzoekers. Die hoeven dan niet helemaal een omgeving in te richten met die tools, maar kunnen hem draaien naast eventueel andere omgevingen die ze zelf hebben. En ook: nieuwe laptop van de baas? Geen probleem. Als je docker installeert kun je in no time je omgeving weer opstarten en beschikbaar hebben met de setup die je had.

Super toch? En dat allemaal zonder jaarlijkse licentiekosten!
Overigens, het Rocker Project dat zorgt voor R-images binnen Docker bestaat al lang (sinds 2014)

Deel dit bericht:
mrt 112018
 

In de categorie “Wauw” valt dit artikel (pdf) van onderzoekers bij Carnegie Mellon University. Zij hebben een manier bedacht om 3D-modellen die je normaal gesproken naar een 3D-printer zou sturen om te zetten naar instructies voor een machinale breimachine. In plaats van een hard konijn uit PLA of ABS krijg je dan een zacht, knuffelbaar konijn.

Op de projectsite staan een filmpje met uitleg, het artikel en een ZIP-bestand met aanvullende materialen zoals een PDF met psuedocode, meer foto’s van de resultaten, zowel net gebreid als met vulling, en een overzicht van een aantal termen die met breien te maken hebben.

Nou heb ik geen breimachine, maar zelfs als je die wel hebt dan kun je de software nog niet zelf uitproberen. Die staat namelijk nog niet online. Ik neem aan dat dit project van een jaar eerder waarbij een compiler is ontwikkeld voor het aansturen van breimachines, een basis gevormd heeft voor dit nieuwe project.

Ook van dat oudere project staat geen code online, maar daar was wel een filmpje via YouTube beschikbaar waarin ook eerst het hele machinale breiproces uitgelegd wordt.  Ik heb die onder aan dit bericht bijgevoegd.

Het wachten is dus nog op software die de algoritmen van de onderzoekers gebruikt zodat mensen er daadwerkelijk ook buiten een onderzoeksetting mee aan de slag kunnen.

Deel dit bericht:
sep 212017
 

EVALUATION FRAMEWORK FOR LABij learning analytics gaat het om het meten, verzamelen, analyseren en rapporteren van en over data van leerlingen en hun context, met als doel het begrijpen en optimaliseren van het leren en de omgeving waarin dit plaatsvindt. De terugkoppeling van deze analyses kan leiden tot effectiever handelen door de leraar, leerling of bijvoorbeeld de ontwikkelaar van lesmateriaal (Woning, 2012).

Het is nog een vakgebied dat sterk in ontwikkeling is. De discussie over wat je moet meten, hoe je moet meten, welke conclusies je wel of niet mag trekken op basis van data (“een student is geen getal”), je kunt er eindeloze discussies over voeren.

De vraag naar een evaluatieraamwerk voor learning analytics tools was er niet meteen eentje die ik daarbij als veelgestelde vraag voorbij heb zien komen. Toch is Maren Scheffel er al een tijdje mee bezig want morgen promoveert ze bij de Open Universiteit op dit onderwerp.

Het raamwerk, gericht op studenten en docenten staat online bij LACE. De resulterende “vragenlijst/scorekaart” ziet er eenvoudig en bruikbaar uit. Het is een compacte lijst vragen en geeft je alleen een score op deelgebieden. Het verteld je (uiteraard) nog niet hoe je dan een tool zou moeten aanpassen om een betere score te krijgen.

Ik heb het proefschrift zelf ook nog niet gelezen, ik kan dus ook nog geen inschatting maken over hoe betrouwbaar de score is die de scorekaart oplevert, hoe direct de relatie tussen ingevulde scores en daadwerkelijk gedrag is etc. Wordt nog vervolgd.

Deel dit bericht:
jul 012017
 

Als ik op Google zoek op “van gelijk hebben naar gelijk krijgen” kom ik ook berichten tegen met titels als “Wil je gelukkig zijn of gelijk krijgen?” die niet helemaal hetzelfde bedoelen als wat ik wilde zeggen. De aanleiding is dit bericht getiteld “Why mythbusting fails: A guide to influencing education with science“. Het bericht trekt een analogie tussen de discussie over klimaatverandering en de discussie over leerstijlen. Je weet wel, dat ding waar “alle” docenten van volhouden dat ze wel bestaan en “alle” onderzoekers roepen dat ze niet bestaan. En het lukt onderzoekers maar niet om die koppige docenten te overtuigen. Er zijn boeken over geschreven en open brieven ondertekend door heel veel knappe koppen over in de krant gezet.

Begrijp me niet verkeerd: ik heb de onderzoeken gelezen, ken de boeken die precies het tegendeel beweren (dat je wél rekening moet houden met “leerstijlen”) en net als bij de discussie over klimaatverandering zit ik aan de kant van de wetenschap. En ondanks dat, en ondanks het feit dat ik geen docent (meer) ben, heb ik moeite met de manier waarop de boodschap over leerstijlen vaak gebracht wordt.  Het artikel op Deans for Impact betoogt dat de huidige manier van “uitleggen” van de boodschap door onderzoekers juist meer leidt tot polarisering en hakken in het zand gedrag dan dat het helpt.

Er worden in het artikel een aantal zaken gesteld:
1) wat is het nou precies waar leraren in geloven en waarom?
Als een leraar gelooft dat er verschillen zitten in de manier waarop kinderen leren is de kans aanwezig dat ze dat een leerstijl noemen. Of ze dan automatisch bedoelen dat een leerling 1 leerstijl heeft die altijd constant is én dat ze daar altijd op in moeten spelen, is dan een heel andere vraag. Zinvol om helder te krijgen.

2) welke wetenschappelijke uitgangspunten moet een leraar dan wél begrijpen?
Dit gaat uit van het principe: roep niet alleen hard wat niet juist is, laat ze ervaren wat wél werkt. Want je laat het ene idee niet los als je er geen beter idee/aanpak voor in de plaats hebt.

3) Zorg voor mogelijkheden om te oefenen!
Denk na over manieren waarop leraren de mogelijkheid en ruimte krijgen om zelf oefenen met manieren waarop ze in de klas / op school effectief om kunnen gaan met de verschillen tussen leerlingen.

Drie verstandige uitgangspunten wat mij betreft.

(getipt door Willem van Valkenburg)

Deel dit bericht:
jun 132017
 

We hebben het druk! En daarom zijn we voor het iXperium/Centre of Expertise Leren met ict per direct op zoek naar een:

Praktijkgerichte (senior) onderzoeker  –  (0,8-1,0 fte)

Praktijkgerichte junior onderzoeker – (0,8-1,0 fte)

Klik op de links voor de officiële beschrijvingen en kom dan even hier terug. Goed, dan heb je de officiële beschrijvingen gelezen, waarom vind ik het nog steeds een super plek om te werken?

Waarom?
Het helpt natuurlijk als je, zoals ik, op zijn minst een bepaalde interesse in leren met ict hebt. En betekent zeker niet dat je elk weekend met Arduino’s aan de slag moet zijn. Integendeel, dat is ook voor mij hobby en achtergrondmateriaal. Maar het helpt wel als je je wat kunt voorstellen bij het gebruik van ict door een docent om leerprocessen te ondersteunen. En wellicht ook wel welke ict-vaardigheden een docent of een student/leerling moet hebben om goed te kunnen functioneren op school of later in de praktijk. En natuurlijk hoe onderwijs werkt (of juist niet) en hoe je het gebruik van leren met ict kunt/moet organiseren.
Moet je dan alle antwoorden al hebben op de vragen die op dit gebied leven? Nee, natuurlijk niet. Daar doen we onderzoek voor. En dan niet (alleen) vanachter een bureau, maar samen met scholen en lerarenopleiders. En die scholen komen dan zowel vanuit het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs. En natuurlijk werken we ook voor onze eigen hbo-instelling. Voor mij was dat een van de andere redenen om hier aan de slag te gaan: om me na mijn promotie door te kunnen ontwikkelen als onderzoeker.

Het werken voor de verschillende sectoren, op verschillende deelgebieden van leren met ict levert een mooi, maar ook soms complex geheel op van activiteiten, samenwerkingsverbanden, opdrachten, onderzoek en werkzaamheden. We zijn een echte netwerkorganisatie met partners in zowel de regio Arnhem – Nijmegen, maar ook in Oss, Roosendaal, Apeldoorn, Doetichem en een tiental andere plekken in Nederland. Waarbij je soms met docenten en studenten samenwerkt in multidisciplinaire teams als ze onderwijs herontwerpen en op andere momenten onderzoek doet waarbij basisschoolleerlingen aan de slag gaan met programmeren of robots. Een senior onderzoeker zal het overzicht over de verschillende niveaus hebben, tussen die niveaus kunnen schakelen, met de verschillende partijen kunnen praten, lijnen mee uitzetten etc.

Lees verder….

Deel dit bericht:
jun 102017
 

Via de site van het NRO kwam ik bij het peilingsonderzoek Natuur en Techniek. Ik citeer even wat het NRO er zelf over schrijft:

De Inspectie van het Onderwijs publiceerde op 31 mei 2017 als onderdeel van Peil.Onderwijs het peilingsonderzoek Natuur en Techniek. Peil.Natuur en Techniek geeft inzicht in het aanbod van basisscholen, de prestaties van leerlingen in groep 8 en de trends ten opzichte van de vorige peilingen in 2008 en 2010. Het biedt tal van aanknopingspunten voor een brede dialoog over de inhoud, kwaliteit en het niveau van het onderwijs in Natuur en techniek.

Het gaat dus over Natuur en Techniek in het basisonderwijs, niet in het voortgezet onderwijs.

Ik heb nog niet alles doorgelezen, je kunt wellicht het beste beginnen met het filmpje:

Dan is er de samenvatting met een aantal toch wel opvallende conclusies, die wellicht ook voor onderwerpen als ict-geletterdheid, programmeren of computational thinking gelden.
Zoals bijvoorbeeld:

  • De kennis van leerlingen op het gebied van biologie en natuurkunde en techniek is ten opzichte van 2010 gelijk gebleven.
  • Er zijn grote verschillen in kennis, onderzoeks- en ontwerpvaardigheden tussen hoogvaardige en laagvaardig leerlingen. De verschillen in prestaties lijken vooral samen te hangen met (algemene) leerlingkenmerken en niet of nauwelijks van de aanpak van de school zoals in dit onderzoek gemeten.
  • Niet heel verrassend: Over het algemeen is de attitude van jongens ten aanzien van Natuur en Techniek positiever dan die van meisjes. Jongens hebben hier meer plezier in, willen er in de toekomst vaker iets mee gaan doen en vinden Natuur en Techniek gemakkelijker dan meisjes. Het algemeen belang van Natuur en Techniek vinden jongens en meisjes even groot.
  • Jongens presteren significant beter dan meisjes op de kennistoets; meer in het bijzonder op de opgaven voor Natuurkunde en techniek en (Natuurkundige) Aardrijkskunde.
  • Leerlingen op voorhoedescholen scoren vrijwel hetzelfde op de kennistoets als leerlingen op representatieve scholen en iets lager op de praktische opdrachten. Ook hun houding tegenover Natuur en Techniek is nagenoeg gelijk.

Je kunt ook de samenvatting van het gesprek met de focusgroep online lezen. Ook daar wel wat kritische noten die breder relevant zijn, zoals:

  • ‘De kerndoelen zijn te ingewikkeld geformuleerd en zijn lastig te operationaliseren. De vragen in de toets zijn heel specifiek. Zo staat de term ‘luchtdruk’ niet in de kerndoelen maar daar wordt wel naar gevraagd. Ook is de formulering van sommige vragen niet zo duidelijk. Mede daardoor kan het zijn dat er geen effecten van het aanbod worden gevonden op de resultaten.’

Herkenbaar als het bv gaat om het ontwikkelen van meetinstrumenten voor computational thinking!
Datzelfde geldt voor:

  • Ook voor scholen is het een uitdaging om invulling te geven aan de kerndoelen, wordt in de focusgroep gesteld. ‘Het is vaak niet duidelijk met welk doel de scholen ‘iets’ doen aan Natuur en Techniek. En dan moet je de vraag stellen:  ‘Kun je wel resultaten bij leerlingen verwachten als je met het domein bezig bent maar niet heel doelgericht?’

En een verstandig advies:

  • ‘Neem als vervolg op het peilingsonderzoek een aantal goed presterende scholen onder de loep. Observeer daar het onderwijsleerproces en interview de schoolleiding en leerkrachten. Breng in beeld wat de leerkracht daadwerkelijk doet in de klas, zodat van daaruit handvatten kunnen worden geformuleerd voor andere scholen.’

Ik ben nog aan het lezen in de rapportage en het technisch rapport, die zijn voor mij sowieso de moeite van het lezen waard omdat ook hier geldt dat de wijze van vergelijken, groeperen (bijvoorbeeld in hoogvaardige en laagvaardige leeringen) relevant is voor het onderzoek dat we zelf doen.

Interessant materiaal dus, ook als je niet direct in het basisonderwijs bij N&T betrokken bent!

Deel dit bericht: