jun 102017
 

Via de site van het NRO kwam ik bij het peilingsonderzoek Natuur en Techniek. Ik citeer even wat het NRO er zelf over schrijft:

De Inspectie van het Onderwijs publiceerde op 31 mei 2017 als onderdeel van Peil.Onderwijs het peilingsonderzoek Natuur en Techniek. Peil.Natuur en Techniek geeft inzicht in het aanbod van basisscholen, de prestaties van leerlingen in groep 8 en de trends ten opzichte van de vorige peilingen in 2008 en 2010. Het biedt tal van aanknopingspunten voor een brede dialoog over de inhoud, kwaliteit en het niveau van het onderwijs in Natuur en techniek.

Het gaat dus over Natuur en Techniek in het basisonderwijs, niet in het voortgezet onderwijs.

Ik heb nog niet alles doorgelezen, je kunt wellicht het beste beginnen met het filmpje:

Dan is er de samenvatting met een aantal toch wel opvallende conclusies, die wellicht ook voor onderwerpen als ict-geletterdheid, programmeren of computational thinking gelden.
Zoals bijvoorbeeld:

  • De kennis van leerlingen op het gebied van biologie en natuurkunde en techniek is ten opzichte van 2010 gelijk gebleven.
  • Er zijn grote verschillen in kennis, onderzoeks- en ontwerpvaardigheden tussen hoogvaardige en laagvaardig leerlingen. De verschillen in prestaties lijken vooral samen te hangen met (algemene) leerlingkenmerken en niet of nauwelijks van de aanpak van de school zoals in dit onderzoek gemeten.
  • Niet heel verrassend: Over het algemeen is de attitude van jongens ten aanzien van Natuur en Techniek positiever dan die van meisjes. Jongens hebben hier meer plezier in, willen er in de toekomst vaker iets mee gaan doen en vinden Natuur en Techniek gemakkelijker dan meisjes. Het algemeen belang van Natuur en Techniek vinden jongens en meisjes even groot.
  • Jongens presteren significant beter dan meisjes op de kennistoets; meer in het bijzonder op de opgaven voor Natuurkunde en techniek en (Natuurkundige) Aardrijkskunde.
  • Leerlingen op voorhoedescholen scoren vrijwel hetzelfde op de kennistoets als leerlingen op representatieve scholen en iets lager op de praktische opdrachten. Ook hun houding tegenover Natuur en Techniek is nagenoeg gelijk.

Je kunt ook de samenvatting van het gesprek met de focusgroep online lezen. Ook daar wel wat kritische noten die breder relevant zijn, zoals:

  • ‘De kerndoelen zijn te ingewikkeld geformuleerd en zijn lastig te operationaliseren. De vragen in de toets zijn heel specifiek. Zo staat de term ‘luchtdruk’ niet in de kerndoelen maar daar wordt wel naar gevraagd. Ook is de formulering van sommige vragen niet zo duidelijk. Mede daardoor kan het zijn dat er geen effecten van het aanbod worden gevonden op de resultaten.’

Herkenbaar als het bv gaat om het ontwikkelen van meetinstrumenten voor computational thinking!
Datzelfde geldt voor:

  • Ook voor scholen is het een uitdaging om invulling te geven aan de kerndoelen, wordt in de focusgroep gesteld. ‘Het is vaak niet duidelijk met welk doel de scholen ‘iets’ doen aan Natuur en Techniek. En dan moet je de vraag stellen:  ‘Kun je wel resultaten bij leerlingen verwachten als je met het domein bezig bent maar niet heel doelgericht?’

En een verstandig advies:

  • ‘Neem als vervolg op het peilingsonderzoek een aantal goed presterende scholen onder de loep. Observeer daar het onderwijsleerproces en interview de schoolleiding en leerkrachten. Breng in beeld wat de leerkracht daadwerkelijk doet in de klas, zodat van daaruit handvatten kunnen worden geformuleerd voor andere scholen.’

Ik ben nog aan het lezen in de rapportage en het technisch rapport, die zijn voor mij sowieso de moeite van het lezen waard omdat ook hier geldt dat de wijze van vergelijken, groeperen (bijvoorbeeld in hoogvaardige en laagvaardige leeringen) relevant is voor het onderzoek dat we zelf doen.

Interessant materiaal dus, ook als je niet direct in het basisonderwijs bij N&T betrokken bent!

Deel dit bericht:
apr 192017
 

Op woensdag 10 mei 2017 organiseert de VOR divisie ICT een bijeenkomst in Eindhoven. Tijdens deze bijeenkomst komen promovendi aan het woord bij wie ICT een rol speelt in hun onderzoek. De onderwerpen zullen heel divers zijn, soms wat meer technisch, in andere gevallen meer op onderwijs gericht. Het zal ook altijd nog “onderzoek in uitvoering” zijn. Daarom zijn de presentaties kort, 10-15 minuten maximaal. Aansluitend zijn alle promovendi op de promovendi markt beschikbaar zodat ze daar hun onderzoek, hun deelproducten etc. meer in detail kunnen toelichten. We sluiten plenair af met een terugblik op het onderzoek dat die middag gepresenteerd is.

We hebben een mooi programma samengesteld met promovendi die onderzoek doen naar diverse, interessante onderwerpen.

Lees verder….

Deel dit bericht:
 Reacties uitgeschakeld voor Bijeenkomst VOR ICT op 10 mei 2017, in gesprek met promovendi onderwijs en ict  Tags: , , ,
mrt 242017
 

Op woensdag 10 mei 2017 organiseert de VOR divisie ICT een bijeenkomst in Eindhoven. Tijdens deze bijeenkomst komen promovendi aan het woord bij wie ICT een rol speelt in hun onderzoek. De onderwerpen zullen heel divers zijn, soms wat meer technisch, in andere gevallen meer op onderwijs gericht. Het zal ook altijd nog “onderzoek in uitvoering” zijn. Daarom zijn de presentaties kort, 10-15 minuten maximaal. Aansluitend zijn alle promovendi op de promovendi markt beschikbaar zodat ze daar hun onderzoek, hun deelproducten etc. meer in detail kunnen toelichten. We sluiten plenair af met een terugblik op het onderzoek dat die middag gepresenteerd is.
Locatie: Studiecentrum Open Universiteit in Eindhoven (routebeschrijving: https://goo.gl/maps/1oX56E71Rk32)

Agenda
13.00 Binnenkomst met koffie en thee
13.15 Welkom
13.30 Korte presentaties door de promovendi
14.45 Promovendi markt
16.00 Plenaire nabespreking
16.30 Borrel

Voor wie? Onderzoekers, studenten, mede-promovendi, docenten die geïnteresseerd zijn in onderzoek.

Wil je deze bijeenkomst bijwonen, meld je dan aan via dit formulier.
Deelname aan de bijeenkomst is gratis en staat ook open voor niet-leden.
Wil je lid worden van de Vereniging voor Onderwijs Research, kijk dan op deze pagina.

 

Deel dit bericht:
okt 172016
 

experimentation_for_improvementVorige week kwam ik, eigenlijk bij toeval, de MOOC “Experimentation for Improvement” tegen, verzorgd door Kevin Dunn. De MOOC start op 24 oktober a.s. dus je kunt je nog inschrijven.

De video’s van de MOOC en de handleiding (eigenlijk meer een gratis digitaal boekwerk) zijn al online beschikbaar via YouTube en deze pagina. Ik heb de MOOC (nog) niet gevolgd en ook nog niet alle video’s bekeken. Het lijkt er op alsof de MOOC een deel is van de materialen die Kevin Dunn maakt voor het omvangrijkere boek “Process Improvement Using Data“.

Ik zet de MOOC hier al even neer als tip, ondanks dat ik hem zelf nog niet gevolgd heb omdat hij in de eerste video’s helemaal bij nul start. Hij legt uit waarom je experimenten zou willen doen, hoe je handmatig (met pen en papier) voorspellende modellen ontwikkeld (inclusief interactie-effect tussen factoren) en gaat daarna pas door naar de vraag “en hoe doe je dat nu sneller met een computer”.  Hij gaat dus uit van geen voorkennis, maar gaat zo te zien r-fiddletoch wel tamelijk diep in de uitleg. Het zal niet verbazen dat “met een computer” met behulp van R project / R Studio gebeurt.

p.s. Een van de dingen die ik nog niet kende is R-Fiddle, een mogelijkheid om R in je browser uit te voeren zonder dat je ook maar iets hoeft te installeren. Cool!

Deel dit bericht:
 Reacties uitgeschakeld voor MOOC Tip: Experimentation for Improvement  Tags: , ,
sep 192016
 

onderzoek_naar_schrijfonderwijsEen kleine maand geleden verschenen er in de media verschillende berichten over het promotieonderzoek van Monica Koster en Renske Bouwer  van het Utrecht Institute of Linguistics OTS over schrijfvaardigheid op het basisonderwijs. Ik verbaasde me toen over de beperkte en negatieve scope van een aantal van die berichten. De blogpost is hier te vinden.

Vandaag verscheen er op komenskypost.nl een bericht namens een van de deelnemers aan de pilot. Dat was, niet echt onverwacht, positief. Al kan ook Liesbeth Mol, de leerkracht van groep 8 die aan het onderzoek deelgenomen heeft zich de kritiek van anderen voorstellen.

Belangrijke uitspraak wat mij betreft echter is waar ze mee afsluit:

…door onze deelname aan het onderzoek hebben we aan den lijve kunnen ondervinden hoe fijn het is om schrijflessen te geven die ten eerste door de kinderen gewaardeerd worden en ten tweede de kwaliteit van de geschreven teksten enorm verbeteren.

Natuurlijk kun je dan nog steeds vraagtekens stellen bij een methode van een uitgever, maar het zijn wel twee heel duidelijke indicatoren van succes.

Deel dit bericht:
aug 262016
 

I/O gebouw in NijmegenEen hogeschool is geen universiteit. Helder. Of we dat moeten willen zijn, daar kun je heel lang over discussiëren. In andere landen is het verschil in naam verdwenen, in praktijk niet helemaal. Nederlandse hogescholen noemen zichzelf in het Engels “University of Applied Sciences”. Duidelijk ook wat mij betreft: het gaat om toegepast onderzoek.

Onderzoek aan een hogeschool is geen hobby van een bestuurder of een docent die in de boeken wil duiken. Het levert, mits goed opgezet en ingebed, wel degelijk een fundamentele bijdrage (grapje: nee, we doen geen fundamenteel onderzoek) aan de beschikbare kennis en het beschikbare onderzoek binnen de verschillende gebieden. Dat is geen belofte, dat is de afgelopen jaren gebleken.

Je bent er echter niet met het simpelweg aanstellen van een paar lectoren binnen een hogeschool. Ook niet als het ervaren mensen zijn die in het bedrijfsleven hun sporen verdiend hebben en een netwerk met zich meebrengen. Een lector zal moeten beschikken over voldoende onderzoekers waarmee onderzoek uitgevoerd kan worden. En die onderzoekers zullen in staat moeten zijn niet alleen onderzoek uit te voeren maar ook het netwerk van het lectoraat op te bouwen, te onderhouden en uit te bouwen. Daarbij zullen ook zij op hun beurt weer ondersteund moeten worden. En of dat in een Centre of Expertise, Centrum voor Innovatief Vakmanschap (mbo) of een Kenniscentrum gebeurt maakt wat mij betreft niet eens zo veel uit. Er moet een goede en duurzame basis en organisatie zijn.

Zo’n netwerk bestaat als het goed is uit partijen in de driehoek: onderzoek – beroepenveld – onderwijs.  Het beroepenveld (het bedrijfsleven of in het geval van een educatieve faculteit: het afnemend onderwijsveld) zal daarbij in veel gevallen de vragen aanleveren op basis waarvan het onderzoek ingericht wordt. Onderzoek aan een hogeschool zal daarnaast nooit los staan van het onderwijs binnen die hogeschool. Resultaten van onderzoek zullen ook inpasbaar moeten zijn in het onderzoek, studenten en docenten zullen bij het onderzoek betrokken moeten worden. En dan nog is het voor individuele lectoraten vaak moeilijk om de eindjes financieel aan elkaar te knopen. Want voor wat betreft de financiering van onderzoek zit er nog een groot verschil tussen universiteiten en hogescholen. En ja, onderzoek kost geld, zowel in uitvoering als in ondersteuning.
Daarbij vind ik het zeker geen probleem dat het beroepenveld (en het onderwijs) mee moeten betalen met onderzoek dat hogescholen uitvoeren. Integendeel. De bereidheid om mee te betalen is immers een goede manier om er voor te zorgen dat het onderzoek ook daadwerkelijk praktijkgericht blijft, met die praktijk verbonden. Maar van de andere kant kun je ook niet van partijen in het beroepenveld verwachten dat zij alle kosten dragen van onderzoek dat in de regel ook voor anderen heel bruikbaar is. En zeker als er uitgegaan wordt van de open access gedachte waarbij de resultaten van het onderzoek vrij met anderen gedeeld worden, zou je verwachten dat de initiatiefnemers van het onderzoek ook financieel gesteund worden uit gemeenschappelijke gelden.

Het is daarom dan ook niet vreemd dat de roep bestaat en blijft bestaan voor het structureel financieel ondersteunen van onderzoek binnen hogescholen. Dat is geen linkse hobby, dat is het gebruik van gezond verstand. Dat is verstandig investeren in de toekomst.

p.s. voor de duidelijkheid: zoals alles op dit weblog, is ook bovenstaand bericht geschreven op persoonlijke titel.

Directe aanleiding voor dit bericht:

Deel dit bericht:
jul 192016
 

Obama_fake_tweetHet onderwerp van deze blogpost speelde zich voornamelijk via Twitter af, maar ik vond het belangrijk genoeg om er ook wat uitgebreider, via een blogpost, op in te gaan. Gisteren was de eerste dag van de conferentie van de Republikeinen in de Verenigde Staten. Big deal zul je zeggen, wat interesseert mij Amerikaanse politiek nou? Nou, vooral omdat het weer een aantal voorbeelden opleverde die te maken hebben met enerzijds de reden waarom wij studenten (en leerlingen) die onderzoek doen zo lastig vallen met het opnemen van verwijzingen én omdat het liet zien dat ook doorgewinterde internetgebruikers zich af en toe voor de gek laten houden.

Die verwijzingen, bronvermelding. Het is iets waar iedereen in het onderwijs wel mee te maken krijgt: leerlingen of studenten komen een tekst tegen (online vaak) en knippen en plakken die in hun rapport of werkstuk. Immers, waarom zelf een formulering verzinnen als iemand anders het al beter dan jou geformuleerd heeft, of het precies zo gezegd heeft als dat jij dat zou gezegd hebben. Tja, de reden daarvoor is dat het binnen onderzoek, maar gelukkig eigenlijk wel vaak ook in de “echte” wereld, we uitgaan van het principe dat de Britten en  Amerikanen zo mooi omschrijven als “credit where credit’s due“. En hoewel de politiek een spel kan lijken waar dat zeker niet geldt blijkt dat in sommige landen wat plagiaat betreft heel gevoelig te liggen. Neem bijvoorbeeld Duitsland, daar hebben de afgelopen 5 jaar twee ministers hun ontslag aangeboden omdat bleek dat ze plagiaat hadden gepleegd in hun proefschrift: Karl-Theodor zu Guttenberg in 2011 en Annette Schavan in 2013. En eerder dit jaar werd bekend dat Minister Ursula von der Leyen (CDU) van Defensie haar titel mocht houden óndanks dat ook zij plagiaat had gepleegd.

Dat Melania Trump in 2016 een stuk uit de presentatie van Michelle Obama uit 2008 gebruikt heeft in haar presentatie voor de conferentie van de Republikeinen zal waarschijnlijk niet betekenen dat haar man zijn nominatie in zal trekken. Er zal waarschijnlijk iemand ontslagen worden die verantwoordelijk was voor het controleren van de tekst van Melania en die passage over het hoofd heeft gezien. Extra pijnlijk omdat Twitter op zo’n moment keihard is:

De tweet is niet alleen (op dit moment) bijna 80.000 x geretweet, in Nederland heb ik hem in iedere geval al (zonder juiste bronvermelding!) voorbij zien komen bij het NOS journaal. Nou zullen onze leerlingen niet allemaal president in de VS willen worden (kunnen ze in de regel niet omdat ze niet in de VS geboren zijn) of minister in Duitsland, maar het lijkt me wel een goed voorbeeld van hoe slecht zoiets uit kan pakken.

Lees verder….

Deel dit bericht:
jul 012016
 

SURF-Infographic-Learning-Analytics-Architectuur-met-stappen_lowresIk weet niet exact waar Learning Analytics zich inmiddels bevind op de meest recente hype cycle grafieken van Gartner (en ik heb het voor deze blogpost niet nagezocht omdat het me niet écht uitmaakte), maar afgaande op wat ik zo om me heen hoor is de eerste “hype” er wel een beetje vanaf. Geluiden als “we moeten studenten niet tot getallen reduceren” of “de docent weet het veel beter dan een computer” doen vermoeden dat we wat dat betreft de “peak of inflated expectations” inmiddels ruimschoots voorbij zijn.

Zoals in zo’n geval nodig is om ooit bij een productieve toepassing uit te komen, wordt er intussen wel gewoon doorgewerkt aan het helder krijgen van vragen als “wat moeten we er nu eigenlijk mee? en hoe?” en de bijbehorende onderliggende systemen, infrastructuren en afspraken. Om het overzicht daarop een beetje te houden, in deze blogpost een aantal verwijzingen naar werk waar (o.a.) SURF / SURFnet bij betrokken is.

Directe aanleiding voor de blogpost was de post van Jocelyn Manderveld getiteld “Experiment voor hands-on ervaring met learning analytics” op SurfSpace. Wat me daarin aansprak was het simpele lijstje van vragen die je je als docent/leraar/ondersteuner nu waarschijnlijk ook wel stelt als je je afvraagt hoe je studenten het doen of hoe er gebruik gemaakt wordt van het onderwijsmateriaal dat je beschikbaar stelt:

  • Heeft de student de opdracht(en) ingeleverd en wanneer?
  • Op welk moment voert de student de leeractiviteiten uit?
  • Volgt de student de eigen voortgang?
  • Hoe vaak doet de student een tussentijdse toets binnen een vak?
  • Welk materiaal wordt vaak gebruikt?

En juist dat gegeven, dus dat het geen vragen zijn die je alleen hebt als je met learning analytics aan de slag gaat, maken ze wat mij betreft krachtig. Want dan zou je kunnen (moeten!) gaan nadenken over vragen als: hoe geef ik antwoord op die vragen?
In het rapport waar Jocelyn naar link (PDF) getiteld “Learning analytics in het onderwijs: een onderwijskundig perspectief” staan nog meer van zulke vragen, zoals “Als studenten samen aan een groepsopdracht werken: Wie heeft welk aandeel gehad in de opdracht?” of “Wat zijn de belangrijkste onderwerpen waarover studenten discussiëren?” of “Heeft de student de instructie voor de leeractiviteit gelezen?”. Natuurlijk ben je er dan nog niet, want aansluitend moet je nadenken over welke interventie je op welk moment als docent dan wilt plegen.

Het rapport geeft overigens voornamelijk vragen, nog geen antwoorden. Zover is ook SURF net niet. Wel willen ze via een experiment laten zien wat mogelijk is. Een experiment dat ongetwijfeld nog de nodige uitdagingen met zich mee zal gaan brengen. En dan heb ik het niet eens over de in dit rapport (PDF) genoemde uitdagingen op ethisch vlak.

Kortom, nog steeds heel wat te doen. Maar omdat wij, als alles een beetje meezit, over niet al te lange tijd ook aan de slag gaan met dit soort vragen, en dan in de context van het mbo, blijf ik het werk dat op dit gebied gedaan wordt in ieder geval volgen. Het heeft immers geen nut hetzelfde wiel nog een keer uit te vinden.

Deel dit bericht:
jun 282016
 

Het eerste bericht dat ik over Project Bloks tegen kwam gisterenavond laat was op Androidplanet.nl en dat had als titel “Project Bloks van Google leert kinderen programmeren“. En dat is eigenlijk precies niet wat het project doet.
Nou is de verwarring niet zo heel vreemd, want bij dat bericht was dit filmpje opgenomen, en dat filmpje is ook van Google, heeft vergelijkbare inhoud maar richt zich met name op een van de mogelijke eindproducten die te realiseren zijn met Project Bloks.

Project Bloks is namelijk gericht op ontwerpers, ontwikkelaars en onderzoekers. En ja, uiteindelijk ook op kinderen, maar het is voornamelijk een platform waar anderen producten op kunnen ontwikkelen.

Mooi. Al ben ik altijd een beetje sceptisch bij dit soort projecten van Google. Enerzijds hebben ze het geld om grote stappen te zetten, maar anderzijds is geen enkel project of product dat geen geld opbrengt zijn leven echt zeker bij Google. Met hetzelfde gemak draaien ze zoiets dan de nek om. Voor nu dus interessant, maar niet direct iets voor een leraar of docent. Ja, er is een eerste prototype dat samen met LEGO WeDo 2.0 of de Mirobot-tekenrobot en geschikt is voor kinderen tussen de vijf en acht jaar. Maar dat heeft als doel om te onderzoeken wat het beste werkt, niet om grootschalig in te zetten.

Nerddetail: Het Brain Board is gebaseerd op de Raspberry Pi Zero

Lees verder….

Deel dit bericht:
jun 072016
 

Praktijkgericht_onderzoek_bij_lectoraten Het Rathenau Instituut heeft een rapport opgesteld waarin ze een overzicht geven van de wijze waarop praktijkgericht onderzoek binnen het hbo in de vorm van lectoraten ingericht is. Het is een overzicht van cijfers en kengetallen op basis van een vragenlijst die uitgezet is naar de zittende lectoren. Lang niet alle lectoren hebben de vragenlijst ingevuld, het responspercentage was 28%. Toetsen van representativiteit van de antwoorden kon alleen op basis van de bekende verdeling man/vrouw bij de lectoren en de sector. Hier zaten geen significante verschillen met de lectoren die de vragenlijst hebben ingevuld.

Het rapport schetst over het algemeen een positief beeld. Het aantal lectoren is van 350 in 2008 gegroeid naar bijna 600 in 2014, de budgetten en aantal betrokken FTE per lectoraat zijn eveneens gestegen. Lectoraten zijn in de regel netwerkorganisaties waarbij samengewerkt wordt met de omgeving.
Er zijn een aantal punten waarop het gemiddelde lectoraat verschilt ten opzichte van het Kenniscentrum Kwaliteit van Leren, waar het iXperium / Centre of Expertise Leren met ict onderdeel van uitmaakt. Een daarvan is de relatie met andere scholen. Zoals in het rapport schrijft:

“Scholen in het funderend onderwijs zijn voor het merendeel van de lectoren geen netwerkpartner. Minder dan een derde van alle lectoren maak melding van scholen in hun netwerk. Deze scholen zijn vooral voor de lectoren in het onderwijs (lerarenopleidingen) van belang en voor de overige lectoren maar mondjesmaat. Hun rol is die van projectpartner, vrijwel niet als opdrachtgever en evenmin voor leverancier van stageplaatsen of toekomstige banen voor studenten.”

Verdeling_staf_lectoraatScholen zijn bij ons zeker partner. En er zijn meer verschillen die vergelijken van onszelf met de rest moeilijker maken. Zo kent het rapport de clustering van lectoraten binnen kenniscentra niet. Ook de vraag of je als gevolg daarvan ook verschil ziet in budget, taakverdeling etc. komen niet aan bod in het rapport. Daarnaast wordt de staf van lectoraten zoals opgenomen in het rapport niet uitgesplitst naar “onderzoekers” enerzijds en “docentonderzoekers” anderzijds. Niet dat de ene per definitie beter of slechter zou zijn dan de andere, maar vooral omdat het een indicatie is van waar de hoofdtaak van een medewerker ligt.
Het is dan ook een beetje de vraag in hoeverre de respons ook voor wat betreft vorm van het lectoraat wel representatief is. Ik begrijp dat de vragenlijst namelijk gericht was op individuele lectoraten, dus een lector met een eigen kenniskring, en niet gemakkelijk in te vullen was als je niet in zo’n structuur werkt.

Deel dit bericht: