jan 312019
 

Er verscheen vandaag een mooi onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen en Vrije Universiteit Amsterdam. Zij onderzochten namelijk de veel gestelde vraag: gaan leerlingen beter presteren als ze regelmatiger (tijdens de schooldag) bewegen?

Voor de duidelijkheid: gymles op school is hoe dan ook goed voor de gezondheid van leerlingen. Maar het onderzoek wilde antwoord geven op de vraag welke effecten fysieke activiteit heeft op de cognitie van kinderen in het primair onderwijs.

Dat pakten ze op twee manieren aan: met een literatuurstudie én met een tweetal experimenten waarbij ze keken of ze de vanuit de literatuurstudie verwachte effecten konden reproduceren.

Het complete rapport (120 pagina’s) is hier te downloaden (PDF) maar ik wil je ook alvast de belangrijkste conclusies geven:

Uit de meta-analyse blijkt dat zowel acute fysieke activiteit (één beweegsessie) als langdurige fysieke
activiteit (een aantal weken of maanden durend) effectief is in het verbeteren van aspecten van cognitie
van basisschoolleerlingen. De fysieke activiteiten verschillen in de effecten die ze op de cognitie hebben.
Het gaat hier om een verzameling van executieve functies, (inhibitie, werkgeheugen, cognitieve
flexibiliteit en planning), aandacht en schoolprestaties (rekenen, lezen en spelling). Activiteiten van een
matig tot intensieve intensiteit, zoals hardlopen, kwamen het meeste voor. (pag. 74)

De activiteiten hebben ook invloed op de hersenen van de kinderen, al zijn de onderzoekers over die conclusies minder zeker, ze zien ze als sterke aanwijzingen:

De systematische review en meta-analyse naar hersenstructuur en neurofysiologische effecten toont aan
dat fysieke activiteit van invloed is op hersenstructuur en het neurofysiologische functioneren van gezonde kinderen. En dat deze veranderingen in enkele studies ook samengaan met verbeteringen in cognitieve
functies. Op dit vlak is echter meer onderzoek nodig, vanwege het zeer geringe aantal studies onder
gezonde kinderen. Ook de resultaten van de studies verschillen sterk. Voorlopig beschouwen we deze
resultaten als sterke aanwijzingen.

Voor het experiment werden de ongeveer 900 leerlingen (groep 5/6) van de 22 deelnemende scholen in 3 groepen ingedeeld:

  1. De eerste groep moest tijdens de gymlessen intensief bewegen (hardlopen, springen etc)
  2. De tweede groep volgde gymlessen met een cognitieve uitdaging, zoals veranderende spelregels.
  3. De derde groep leerlingen vormde de controlegroep en volgde twee keer per week de reguliere gymles.

De uit de literatuur verwachte resultaten op cognitieve vaardigheden, schoolprestaties, fitheid, motorische vaardigheden, BMI werden niet gevonden bij de 2 testgroepen versus de controlegroep.
Wel waren er verschillen te vinden toen er gekeken werd naar subgroepen binnen de testgroepen. Zo had de intensieve interventie meer effect op de fitheid van kinderen die al relatief fit waren vooraf in vergelijking tot minder fitte kinderen. Maar de cognitieve interventie werkte juist beter bij de relatief minder fitte kinderen. Ook hier dus: de interventie werkte niet voor alle kinderen op dezelfde manier of in dezelfde mate. De onderzoekers noemen dit ook bij de aanbevelingen: elk kind heeft zijn eigen benadering nodig.

Over één ding zijn literatuur en experiment het in ieder geval eens:

Het veelvuldig bewegen tijdens de schooldag moet worden gestimuleerd. Dit kan tijdens het
bewegingsonderwijs, maar ook tijdens andere lessen en in de pauzes.

p.s. Ik zeg het voor de zekerheid toch maar even: ik zeg dat hier niet als een “het onderwijs moet dit er ook nog even bij doen”. Ik vind het rapport vooral een mooie onderbouwing voor het antwoord op een vraag die wij ook van tijd tot tijd van scholen krijgen.

(getipt door het NRO)

 

Deel dit bericht:
jun 102017
 

Via de site van het NRO kwam ik bij het peilingsonderzoek Natuur en Techniek. Ik citeer even wat het NRO er zelf over schrijft:

De Inspectie van het Onderwijs publiceerde op 31 mei 2017 als onderdeel van Peil.Onderwijs het peilingsonderzoek Natuur en Techniek. Peil.Natuur en Techniek geeft inzicht in het aanbod van basisscholen, de prestaties van leerlingen in groep 8 en de trends ten opzichte van de vorige peilingen in 2008 en 2010. Het biedt tal van aanknopingspunten voor een brede dialoog over de inhoud, kwaliteit en het niveau van het onderwijs in Natuur en techniek.

Het gaat dus over Natuur en Techniek in het basisonderwijs, niet in het voortgezet onderwijs.

Ik heb nog niet alles doorgelezen, je kunt wellicht het beste beginnen met het filmpje:

Dan is er de samenvatting met een aantal toch wel opvallende conclusies, die wellicht ook voor onderwerpen als ict-geletterdheid, programmeren of computational thinking gelden.
Zoals bijvoorbeeld:

  • De kennis van leerlingen op het gebied van biologie en natuurkunde en techniek is ten opzichte van 2010 gelijk gebleven.
  • Er zijn grote verschillen in kennis, onderzoeks- en ontwerpvaardigheden tussen hoogvaardige en laagvaardig leerlingen. De verschillen in prestaties lijken vooral samen te hangen met (algemene) leerlingkenmerken en niet of nauwelijks van de aanpak van de school zoals in dit onderzoek gemeten.
  • Niet heel verrassend: Over het algemeen is de attitude van jongens ten aanzien van Natuur en Techniek positiever dan die van meisjes. Jongens hebben hier meer plezier in, willen er in de toekomst vaker iets mee gaan doen en vinden Natuur en Techniek gemakkelijker dan meisjes. Het algemeen belang van Natuur en Techniek vinden jongens en meisjes even groot.
  • Jongens presteren significant beter dan meisjes op de kennistoets; meer in het bijzonder op de opgaven voor Natuurkunde en techniek en (Natuurkundige) Aardrijkskunde.
  • Leerlingen op voorhoedescholen scoren vrijwel hetzelfde op de kennistoets als leerlingen op representatieve scholen en iets lager op de praktische opdrachten. Ook hun houding tegenover Natuur en Techniek is nagenoeg gelijk.

Je kunt ook de samenvatting van het gesprek met de focusgroep online lezen. Ook daar wel wat kritische noten die breder relevant zijn, zoals:

  • ‘De kerndoelen zijn te ingewikkeld geformuleerd en zijn lastig te operationaliseren. De vragen in de toets zijn heel specifiek. Zo staat de term ‘luchtdruk’ niet in de kerndoelen maar daar wordt wel naar gevraagd. Ook is de formulering van sommige vragen niet zo duidelijk. Mede daardoor kan het zijn dat er geen effecten van het aanbod worden gevonden op de resultaten.’

Herkenbaar als het bv gaat om het ontwikkelen van meetinstrumenten voor computational thinking!
Datzelfde geldt voor:

  • Ook voor scholen is het een uitdaging om invulling te geven aan de kerndoelen, wordt in de focusgroep gesteld. ‘Het is vaak niet duidelijk met welk doel de scholen ‘iets’ doen aan Natuur en Techniek. En dan moet je de vraag stellen:  ‘Kun je wel resultaten bij leerlingen verwachten als je met het domein bezig bent maar niet heel doelgericht?’

En een verstandig advies:

  • ‘Neem als vervolg op het peilingsonderzoek een aantal goed presterende scholen onder de loep. Observeer daar het onderwijsleerproces en interview de schoolleiding en leerkrachten. Breng in beeld wat de leerkracht daadwerkelijk doet in de klas, zodat van daaruit handvatten kunnen worden geformuleerd voor andere scholen.’

Ik ben nog aan het lezen in de rapportage en het technisch rapport, die zijn voor mij sowieso de moeite van het lezen waard omdat ook hier geldt dat de wijze van vergelijken, groeperen (bijvoorbeeld in hoogvaardige en laagvaardige leeringen) relevant is voor het onderzoek dat we zelf doen.

Interessant materiaal dus, ook als je niet direct in het basisonderwijs bij N&T betrokken bent!

Deel dit bericht: