jan 302013
 

Cursor_29-1-2013 Een collega-promovendus wees mij op het volgende bericht op Cursor:

TU/e-promovendus geeft proefschrift volledig vrij

Mooie kop en mooi concept. Samengevat: Maxim Hendriks stelt, als eerste promovendus bij de TU/e zijn proefschrift onder een Creative Commons licentie beschikbaar (je kunt de PDF hier downloaden). En inderdaad een bericht dat mij zou moeten interesseren (dank je Ton!). Zou het iets zijn dat ik had willen/kunnen doen? Niet als eerste promovendus op de TU/e in ieder geval, dat is duidelijk, maar zou het kunnen of relevant zijn?

Die vraag is niet heel kort te beantwoorden. Mijn proefschrift bestaat namelijk naast het theoretisch kader en de conclusies uit vijf inhoudelijke hoofdstukken die allemaal (uiteindelijk) gepubliceerd zullen worden. Drie ervan zijn al gepubliceerd (formeel is eentje “in press”), twee ervan zijn gesubmit en in afwachting van een reactie van het journal. Voor twee van de gepubliceerde en een van de gesubmitte artikelen heb ik inmiddels, samen met de co-auteurs, een copyrightverklaring ondertekend die de uitgever van het journal een aantal rechten geeft op het betreffende artikel. En in één geval legt het mij ook een aantal beperkingen op als auteur waarbij dan ook nog eens verschil gemaakt wordt tussen de pre-peer-reviewed versie, de accepted versie en de published versie (met alle opmaak etc).

Natuurlijk, dit alleen al zou een reden zijn om vooraf heel selectief te zijn met waar je een artikel aanbiedt, maar ik neem aan dat je me dat kunt vergeven. Op deze site kun je eenvoudig zoeken naar de bepalingen per journal.
Goed, er zijn dus een paar drempels, maar wat is dan wel nog mogelijk?

Er zijn in ieder geval delen waar ik nog volledig het auteursrecht op heb. Het theoretisch kader, de conclusies sowieso. En bij één van de hoofdstukken/artikelen is het gemakkelijk. Daarbij is het journal zelf Open Access en is het betreffende artikel al met een Creative Commons licentie online beschikbaar. Dat had wat mij betreft voor alle hoofdstukken zo mogen zijn, maar in één geval vraagt het journal eenmalig $3.000 vergoeding van de auteur om het open access beschikbaar te maken (ik neem aan als vergoeding voor mogelijke gederfde inkomsten), dus dat doe ik maar even niet.

Vraag is dan: waarom zou je dat willen doen?

Zelf had ik bij het opstellen van het onderzoeksvoorstel voor mijn onderzoek als probleem dat mijn werkgever nou eenmaal wat minder toegang tot repositories heeft met voor mij relevante artikelen dan dat de TU/e dat heeft. Sinds de start van het onderzoek kan ik ook daar terecht, maar toegang tot artikelen kan een probleem zijn voor (beginnende) onderzoekers. Per artikel betalen kan in de papieren gaan lopen ($25-$30 per artikel zijn geen uitzondering) of duurt lang als je het artikel via de eigen mediatheek moet aanvragen, vooral omdat je vooraf niet zeker weet of het artikel ook wel echt relevant is (de samenvatting is vaak veelbelovender dan het artikel zelf.

Voor het daadwerkelijk gebruik van het materiaal maakt de CC-licentie weer minder uit. Want veel meer dan citeren van andermans werk (en daar heb je geen CC-licentie voor nodig) zal ik in de regel toch niet kunnen. Als ik namelijk een artikel schrijf verlangen de journals dat het “oorspronkelijk werk” is. Een hele paragraaf of meer uit dit proefschrift overnemen zou dan ook niet kunnen.

Waar het nog meer relevant kan zijn blijkt aan het einde van het bericht:

“Die data komt neer op de computercode die ik heb gebruikt om sommige stellingen uit het proefschrift te bewijzen. Geïnteresseerden kunnen die code gebruiken om zelf met algebrasoftware te controleren of het wel klopt wat ik beweer.”

OK, hier kan ik me wél voorstellen dat een andere onderzoeker graag verder werkt met de code. Ik heb in mijn analyses en deelonderzoeken ook gebruik gemaakt van stukken programmacode/scripts die ik deels zelf geschreven heb en waarbij ik deels gebruik gemaakt heb van scripts en frameworks die al door anderen ontwikkeld zijn.
Op dit moment heb ik er niet in voorzien om die delen van de resultaten beschikbaar te stellen. Maar dit bericht zorgt er wel voor dat ik eens ga kijken of het zinvol is om die delen ook toegankelijk te maken. Daar waar ik weer code van anderen gebruikt heb, heb ik dat voor zover ik kan overzien voldoende gedocumenteerd, dus dat zou moeten kunnen.
Maar daar is dan weer de vraag of de Creative Commons licentie de meest logische licentie is voor die code. De organisatie schrijft daar zelf over:

Kan ik een Creative Commons-licentie voor software gebruiken?
In theorie is dat mogelijk, maar dat is niet altijd verstandig. Wij raden je aan om een van de vele vrije software-licenties te gebruiken die hier specifiek voor ontwikkeld zijn. (De licenties van de Free Software Foundation en het Open Source Initiative zijn hier bijzonder geschikt voor). In tegenstelling tot onze licenties – die niet verwijzen naar bron- of objectcode – zijn bovenstaande licenties specifiek voor software-toepassingen ontworpen.

Goed, ook hier doet het er niet heel erg toe, het kan ook al is het niet optimaal. Belangrijkste punt is dat de code beschikbaar is en redelijk vrij herbruikbaar.

Tot slot nog even dit. Op het einde van het nieuwsbericht staat:

De publicatie van Hendriks’ proefschrift is ook op andere manieren vooruitstrevend, vertelt Osinski. “Aan het proefschrift is een DOI gekoppeld, dat is een digitaal kenmerk waarvan de bibliotheek garandeert dat het gekoppeld blijft aan het proefschrift, ook als de URL die er momenteel aan hangt in de toekomst zou veranderen.”

Het verrast me eigenlijk dat de TU/e dat nog niet standaard met alle proefschriften doet. Er wordt wel een ISBN aan gehangen, ze worden ook in een online repository opgenomen, maar inderdaad, standaard wordt er geen DOI aan gekoppeld.
Dat is bij de deelhoofdstukken van mijn proefschrift, die al gepubliceerd zijn wél al gebeurt, zowel bij het hoofdstuk dat als Open Access beschikbaar is, als bij de andere hoofdstukken.
Dat ziet er dan bijvoorbeeld zo uit: DOI: 10.1504/IJLT.2012.046864

Als je kijkt naar de bron van de link, dan zie je dat ik naar http://dx.doi.org/10.1504/IJLT.2012.046864 link. Het idee achter zulke links is dat, mocht de URL van de publicatie wijzigen, dan kan de uitgever die wijzigen in de repository van doi.org waardoor de http://dx.doi.org/10.1504/IJLT.2012.046864 link blijft werken. Inderdaad handig, ik kan zo snel niet ontdekken hoe ik voor mijn proefschrift bij de TU/e een DOI laat genereren, ga ik zeker doen. Maar hierbij wel de aantekening dat DOI zeker geen Creative Commons licentie of Open Access veronderstelt/nodig heeft.

En dat een DOI op zichzelf ook weer niet alles zegt blijkt ook wel als je de link naar de DOI in zijn proefschrift volgt: dx.doi.org/10.6100/96ec9f06-75df-4a6f-92f6-3f531b56155e.
Onder aan de repository pagina waar je dan op uit komt staat een V-Link. Klik je daar op, dan krijg ik dit te zien:
vlink
Daar ga je dan met je vindbaarheid. Vanuit de PDF van het proefschrift kom je dus wel bij de metadata erover in de repository, maar met die info (of de DOI die daar naar verwijst) kom je niet meer bij de PDF van het proefschrift. :-(

Samenvattend
OK, ik heb hierboven een paar kanttekeningen geplaatst bij het bericht op de de Cursor website. Blijft natuurlijk dat het een prima plan is dat Max Hendriks zijn proefschrift op deze wijze beschikbaar stelt. Het heeft er in ieder geval ook toe geleidt dat ik een aantal zaken op dit gebied met betrekking tot mijn eigen proefschrift nog eens even onder de loep ga nemen.

  6 reacties aan “Welke licentie hang jij aan je proefschrift?”

  1. Ik kreeg via twitter deze interessante link

    Het is een gevecht waar je als promovendus natuurlijk helemaal de tijd niet voor hebt. Zonder dat ik daarmee wil zeggen dat het niet belangrijk is (in tegendeel), maar als je een proefschrift op basis van artikelen schrijft, dan wil je meer dan alleen maar “This chapter has been submitted as…” onder elk hoofdstuk kunnen zetten. En dan zijn 4 jaar kort om voor elk hoofdstuk zo’n traject aan te gaan.

Sorry, het reactieformulier is momenteel gesloten.