jul 302015
 

OK, toegegeven, het filmpje is grappig. En de feature zelf best indrukwekkend. Google Translate op iOS en Android heeft een optie waarbij je ín het live camerabeeld van je smartphone de vertaling van de teksten die te zien zijn kunt zien. Daarbij probeert de applicatie zelfs het lettertype én de plaatsing van de woorden aan te houden.

Nieuw is dat daar nu ook het Nederlands bij gekomen is (Nederlands – Engels, Engels – Nederlands) naast een aantal andere opties (o.a. Engels – Italiaans). Een (vast niet representatieve) test met mijn proefschrift en Engels -> Italiaans en Engels -> Nederlands maakte me duidelijk dat het in praktijk nog lang niet vlekkeloos werkt.

20150729_214416000_iOS 20150729_214304000_iOS 20150729_213606000_iOS 20150729_214929000_iOS 20150729_214625000_iOS

Aan de afbeeldingen hierboven zie je dat het voor situaties waarbij er slechts een paar woorden in beeld zijn, het best goed werkt. Cool is dat de vertaling live en in het oorspronkelijke lettertype óp de afbeelding weergegeven wordt. Maar bij meer dan een paar woorden (lees: een pagina met zinnen)  raakt het programma helemaal de kluts kwijt. Komt vast nog.

 

Deel dit bericht:
jun 142015
 

Slim_Excel_2013Ik weet niet hoe lang de feature al in Excel zit, maar de voorlaatste keer dat ik hem nodig had nog niet.

Het scenario is als volgt: ik had een Excelbestand met namen van personen en hun mailadressen. Ik wilde ze een mail sturen via de mailmerge optie van Word.

Maar de namen stonden met voornaam + achternaam in één cel (zie de afbeelding) en ik wilde de mail starten met “Beste <<voornaam>>”. Ik moest de cel dus splitsen.

Voorheen deed ik dat dan met een formule in een andere kolom waarbij ik op zoek ging naar de eerste spatie in de cel met voornaam + achternaam, die positie pakte en dan er vanuit ging dat alles ervoor de voornaam was.

Omdat ik nu maar een kort rijtje had, wilde ik ze gewoon even handmatig intypen. Dat deed ik bij de eerste voornaam, maar toen ik dat bij nummer 2 de rij eronder wilde doen, suggereerde Excel al om de voornamen van de andere rijen automatisch voor me in te voegen (zie afbeelding). Super handig en slim toch?!

Een programma dat je tijd bespaard zónder dat jij je daarvoor hoeft aan te passen, dat is wat we nodig hebben!

(en daarmee zeg ik niet dat alleen Microsoft of alleen Excel dat doet!)

Deel dit bericht:
jun 102015
 

ZoteroEigenlijk maakt het niet uit, of je nou docent, student, consultant of onderzoeker bent. Als je documenten samenstelt, dan maak je haast altijd gebruik van materialen van anderen. En dan hoor je gewoon aan bronvermelding te doen.

Nou is dat op een weblog vaak eenvoudig: je voegt een linkje in en klaar. Maar in rapporten of artikelen is dat niet zo heel handig. Daar is het gebruikelijk dat je op de plek in de tekst waar de verwijzing relevant is, een tekstuele verwijzing opneemt in de vorm van auteur + jaartal en dan onder aan het rapport/hoofdstuk/artikel via een uitgebreidere beschrijving van de bron de doorverwijzing opneemt. Dat kan volgens een aantal afspraken, een heel bekende daarbij is de APA.

De reden waarom dat lang niet altijd gebeurt is eigenlijk heel simpel. Het bij elkaar zoeken van de benodigde informatie daar voor en het correct opnemen van de beschrijving van de bron is best veel werk. Sinds mijn promotieonderzoek (Gorissen, Pierre, 2013) heb ik me één ding heel erg aangeleerd: als ik interessante bronnen tegen kom, dan stop ik die meteen in een referencemanager. Tijdens mijn promotietraject deed ik dat in Endnote, prima als je niet veel bronnen hoeft te delen. Daarna heb ik een tijdje Mendeley gebruikt, mooie online omgeving beetje prijzig als je met groepen werkt. Sinds een tijdje werk ik (weer) met Zotero, niet zo schitterende webinterface, maar gratis en krachtig. En met een goed werkende WordPress plugin.

Waarom een referencemanager? Nou, omdat je dan bij het vinden van de bronnen de informatie over die bronnen één keer goed vastlegt en daarna elke keer als je die bronnen nodig hebt daar weer gebruik van kunt maken. Dan kun je tijdens het typen in Word gewoon even zoeken naar de bron en die als verwijzing in laten voegen in het document. Met aan het einde van het document een nette lijst met de bronnen. Maar ja, dan moet je dat dus wel de eerste keer goed doen. En vaak is ook dat nog heel wat werk.
Lees verder….

Deel dit bericht:
jun 042015
 

innovatiewijzerIn het kader van ook bij de “buren” kijken: Kennisnet stelt een handige “Innovatieversneller” beschikbaar (voorheen “innovatiewijzer” genoemd).

De Innovatieversneller is een toolkit (set van documenten/werkbladen) met technieken die je kunnen helpen tijdens innovatietrajecten (binnen het onderwijs). Dat binnen het onderwijs heb ik even tussen haakjes gezet, want eigenlijk is de toolkit niet beperkt tot het onderwijs, en al helemaal niet beperkt tot alleen po, vo en mbo, de primaire doelgroep van Kennisnet.

De toolkit richt zich op drie deelgebieden:

  1. Behoefte bepalen
  2. Oplossingen verkennen en uitproberen
  3. Een vernieuwing uitbreiden

De toolkit pretendeert niet “compleet” te zijn. Je wordt dan ook uitgenodigd om, waar handig, eigen technieken toe te voegen. Zo was ik gisteren bij een “Open Space” sessie die door SURF georganiseerd werd rond de gewenste dienstverlening op het gebied van Open en Online Onderwijs. Dat is een techniek die niet in het schema voor komt. Een andere is “Customer Journey“, een techniek waar we intern nu ook naar kijken als het gaat om bijvoorbeeld inrichting van gebouwen.

Eigenlijk zou dat nog een wens voor versie 2.0 van de toolkit kunnen zijn: een mogelijkheid om eenvoudig aanvullende “ruitjes” toe te voegen in zo’n zelfde format als de toolkit zelf zodat je als organisatie één mooie overzichtelijke toolkit houdt.

Deel dit bericht:
mei 162015
 

AzureMachineLearning Als je R zegt, dan zeg je “open source”, “statistiek”, “hacken”, “vrij”. Als Microsoft dan een leverancier van zowel open source als closed source producten voor R overneemt (Revolution Analytics), dan gaan er links en rechts alarmbellen af. Natuurlijk, ze kopen niet de makers van R zelf op, maar de vraag ontstaat natuurlijk al snel: wat moeten ze hiermee?

Tijdens de Ignite conferentie eerder deze maand hebben ze een tipje van de sluiter opgelicht. En het is een tipje dat eigenlijk heel erg logisch klinkt: ze gaan de kennis en producten van het bedrijf gebruiken om R ondersteuning in SQL Server 2016 in te bouwen.
Nou zou het “oude” Microsoft het daarbij niet kunnen laten om R “beter” te maken door het net iets aan te passen qua syntax etc. Het verhaal zoals het nu gepresenteerd wordt lijkt echter te passen bij het “nieuwe” microsoft: zo probleemloos mogelijk integreren van de verschillende tools. Dus zodat je gewoon gebruik kunt blijven maken van de plugins die R kent, het uitvoeren van de verschillende modellen etc. op de R-engine, maar dan met een aantal aanpassingen en verbeteringen die inderdaad het leven van gebruikers binnen grotere bedrijven een stuk eenvoudiger zouden moeten maken.

Het probleem dat beschreven werd zal namelijk heel herkenbaar zijn: je hebt mensen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van databases en bestanden binnen een organisatie en je hebt mensen die van tijd tot tijd analyses willen uitvoeren op die data. Dat kan fraudedetectie zijn, maar neem binnen onderwijsinstellingen bijvoorbeeld de analyses in het kader van learning analytics. Of nog kleiner/specifieker: analyseren van het kijkgedrag van studenten binnen een MOOC of voor opnames van colleges of kennisclips met behulp van R. Als je bijvoorbeeld Mediasite gebruikt voor je video’s, dan maakt ook die gebruik van SQL Server voor de opslag van de logdata. Als je daar vanuit R analyses op wilt uitvoeren, dan moet je die data eerst van de server naar je lokale computer halen. Of als je R ergens op een server hebt staan, dan moet je de data eerst van de SQL Server naar die R-server overpompen. Als dat een grote hoeveelheid historische data is, dan moet je bij het uitvoeren van de analyses gaan stoeien met de geheugenbegrenzingen die R daarbij heeft (of die je machine daarbij heeft). Of het gegeven dat R (blijkbaar) maar op één processor tegelijkertijd die analyses uitvoert.

De producten van Revolution Analytics richten zich op het optimaliseren daarvan. Maar de integratie van (een deel) van de processing ín SQL Server zelf heeft nóg een voordeel: de data hoeft niet van de server af. De analyses kunnen worden uitgevoerd binnen de beveiligingcontext van de database-server. De beheerder kan processor- en geheugencapaciteit voor het proces beschikbaar stellen. En de data-analist krijgt alleen die data ter beschikking waar hij/zij rechten toe heeft. Dus als ik analyses mag uitvoeren voor alle opnames van alle vakken/docenten/studenten dan kan ik die draaien, mag ik dat slechts voor één vak of de vakken van één opleiding/faculteit, dan draai ik dezelfde scripts en dezelfde modellen, maar krijg ik een subset van de data.

Interessant, ik ben benieuwd of er leveranciers van lecture capture tools zijn die hiermee in 2016 aan de slag gaan.
Wil je de hele video zien met de uitleg en de demo, een exemplaar van de sessie-opname is opgenomen in deze blogpost.

(via Computerworld en Revolutions Analytics blog

Deel dit bericht:
mei 112015
 

RSS_pollHet was een voorbeeld van een absoluut niet representatieve steekproef met te weinig reacties om ook maar enigszins representatief te zijn voor welke populatie dan ook.

Maar ik misbruik hem toch maar even heel schaamteloos om duidelijk te maken dat Google het zichzelf extra moeilijk maakt door ook de nieuwe “Collections” functionaliteit van Google+ niet van RSS te voorzien. Net als Flipboard kiezen ze voor een systeem waarbij je als gebruiker wél content toe kunt voegen aan het online platform van (in dit geval) Google, maar jezelf en andere gebruikers geen andere manier hebben om die content te benaderen dan via de website zelf.

Dat is voor Google+ niet nieuw. Voorheen hadden de Communities nog een niet formeel ondersteunde mogelijkheid om een RSS-feed te genereren, maar ook daar is die optie weg.

En dat is zonde! (die opvoeding raak ik nooit helemaal kwijt geloof ik). Want net als alle (onzinnige) claims over het gegeven dat RSS “dood” zou zijn, dat niemand het meer gebruikt, is dat ook niet waar voor Google+. Er zijn of waren (helaas lijkt een aantal recent stil te vallen) daar ook levendige communities met interessante berichten te vinden (kijk bijvoorbeeld maar eens bij 3D Printers and printing NL, Sociale media in het onderwijs, Arduino (actief!), 3D Printing (actief!), Video Ondersteund leren (niet meer erg actief), Underwater Video.
Maar het volgen van de berichten in die communities is moeilijk zonder RSS. En het maken van Collections is onhandig als je afhankelijk bent van de vraag hoe lang Google er ondersteuning voor gaat bieden.

Het is jammer. Want Google+ lijkt het zoveelste gefaalde experiment te worden. En ik weet zeker dat RSS in ieder geval een beetje had kunnen bijdragen aan het behoud ervan.

Deel dit bericht:
mei 102015
 

Geen tijd om het vandaag zelf uit te proberen, maar als ik de beschrijving op How to get your very own RStudio Server and Shiny Server with DigitalOcean lees is het echt een peulenschilletje om je eigen RStudio Server en Shiny Server te installeren, niet alleen op een VPS van Digital Ocean natuurlijk.

Wellicht eerst maar eens op een Raspberry Pi proberen.

Deel dit bericht:
mei 072015
 

WordPress“It’s Easy As… 1,2,3” schrijven ze op de WordPress website. Meer dan 3 stappen komen er niet kijken bij het in de lucht brengen van een WordPress website. Het eerste deel en tweede deel van deze serie zouden je voldoende basis gegeven moeten hebben voor de wat meer complexe begrippen die in deel 3 aan bod komen: HTTPS, SSL, TLS, certificaten, DNSSEC en HSTS. Die ben je ook allemaal tegen gekomen in dit bericht, ik loop er nu op basis van de eerste twee delen nog een keer kort doorheen.

Lees verder….

Deel dit bericht:
mei 062015
 

WordPress“It’s Easy As… 1,2,3” schrijven ze op de WordPress website. Meer dan 3 stappen komen er niet kijken bij het in de lucht brengen van een WordPress website. In het eerste deel van deze berichten over de werking van een aantal onderwerpen waar sommige mensen hoofdpijn van krijgen (en terecht) heb je kunnen lezen hoe je eenvoudig een WordPress weblog aan maakt, wat een hosting provider is, wat een registrar doet, wat DNS is, en dat die drie diensten (registrar voor je domeinnaam, DNS, hosting) door één partij of meerdere partijen aangeboden kan worden.

Dat hebben we gisteren gedaan op basis van shared hosting, waarbij je met een (groot) aantal anderen een server deelt. Dat gaat best vaak goed, maar als je site meer bezoekers trekt, als je net even iets anders wilt installeren dan de standaard aanwezige PHP-versie of MySQL-versie, als je het beheer zelf wilt doen of zelf door iemand anders wilt laten doen, dan wordt je vaak doorverwezen naar een VPS of Virtual Private Server.

VPS
Bij een VPS heb je niet “echt” een eigen server als in een kast zoals je ook een PC op je of onder je bureau hebt staan. Een VPS is een “virtuele” server. Je kunt zelf eenvoudig virtuele machines aanmaken op je eigen desktopcomputer, bijvoorbeeld met behulp van het gratis VirtualBox. Daarbinnen zou je dan een Linux server kunnen draaien, beheren en ook van buiten die virtuele machine kunnen benaderen. Nou zal een VPS aanbieder geen VirtualBox op Windows gebruiken maar bijvoorbeeld een product als OpenVZ. Net als je bij je desktop zult merken, moet de hardware waar de virtuele servers op draaien voldoende krachtig zijn. Mooi daarbij is dat een aanbieder de beschikbare processorcapaciteit, intern geheugen en schijfruimte van de VPS eenvoudig kan aanpassen. Ook het verplaatsen van een VPS naar een andere machine (omdat het bijvoorbeeld te vol wordt op de ene fysieke machine) kan zonder problemen gebeuren.
Als gebruiker heb je het voordeel van een echt afgesloten omgeving. Dus hoewel je nog steeds met meerdere gebruikers op een en dezelfde fysieke server kunt zitten, kan het niet meer zo zijn dat een script dat “fout” gaat bij de ene gebruiker ook jouw serveromgeving uit de lucht haalt. En een reboot van jouw server heeft geen enkel effect op die van de andere gebruikers.
Lees verder….

Deel dit bericht:
mei 052015
 

WordPress“It’s Easy As… 1,2,3” schrijven ze op de WordPress website. Meer dan 3 stappen komen er niet kijken bij het in de lucht brengen van een WordPress website:

  1. Zoek een webhost met WordPress ondersteuning;
  2. Download en installeer de software;
  3. Lees de documentatie, wordt een WordPress expert en maak indruk op je vrienden.

En eigenlijk kan het haast nog gemakkelijker. Want als je niet naar WordPress.org gaat maar naar WordPress.com, dan kun je daar helemaal gratis een weblog op basis van WordPress aanmaken.

In deze blogpost wil ik een aantal termen, begrippen en keuzes die je hebt als je een weblog wilt starten op basis van WordPress op een rij zetten. Daarbij ben ik gegarandeerd onvolledig. Niet alleen zijn er ontelbare andere opties, ik kan op dit moment simpelweg ook niet helemaal verzinnen hoe ver en hoe diep ik dingen moet beschrijven om het breed genoeg begrijpelijk te maken.
De kans bestaat ook dat ik hier en daar onzin vertel of dingen die toch niet helemaal juist zijn. Daarom zijn aanvullende vragen én opmerkingen, links, uitleg van harte welkom!
Ik zal ze zo veel mogelijk verwerken in vervolgposts en verdieping. Wel de vraag om vooral bij de aanvullingen in de gaten te houden wie de doelgroep is: gewone mensen (docenten, studenten, ouders, amateur bloggers) met niet heel veel (in ieder geval geen super) technische kennis.
Mensen dus waarvoor het onderhouden van een server niet hun werk is.

p.s. Even voor de duidelijk: reacties waarin webhosting X of Y aangeprezen wordt zie ik waarschijnlijk als SPAM. Het betekent niet dat je nergens naar mag verwijzen, maar als je allereerste reactie hier uit niet meer bestaat dan “Ik zit bij X en ben daar heel tevreden!”, dan liever niet. :-)

p.p.s. Ik merk dat ik veel woorden nodig heb voor de uitleg, dus wordt het een bericht in meerdere delen.

OK, laten we beginnen.
Lees verder….

Deel dit bericht: