Pierre

Geek, Trendwatcher, Edublogger, Screencaster, Blogger. Ik heb verstand van ICT en Onderwijs, Elektronische Boeken, Weblectures. Ik ben gepromoveerd op het gebruik van recorded lectures door studenten en werk bij Fontys Hogescholen (maar dit blog is 100% op persoonlijke titel!!). Ik ben gek op fietsen, Bodypump en Spinning.

jun 302015
 

Het filmpje hierboven is al wat ouder, uit 2013 om precies te zijn, maar ik kwam het pas vandaag tegen. Ik vond het grappig omdat het me meteen deed denken aan de bekende discussie over de vraag of je ook wel “echt” kunt leren via een MOOC of online leren.

Iets recenter (2014) is het interview hieronder over een MOOC die ontwikkeld werd door een leverancier van medische apparatuur:

Ook in 2015 loopt er een MOOC gericht op medici, deze MOOC “Introduction to Cataract Surgery” gaat oktober 2015 van start en richt zich op staar en operaties op dat gebied.
En eigenlijk is het ook helemaal niet zo gek. Je zult inderdaad waarschijnlijk geen chirurg willen hebben die alleen maar een online training gehad heeft. Maar een chirurg of medicus die ook online zichzelf bijspijkert, die lijkt mij juist wel extra veilig.

 

Deel dit bericht:
jun 282015
 

Omvang_proefschrift Op het weblog van Pedro De Bruyckere staat een mooi plaatje van PhD Comics met de relatie tussen de lengte van je proefschrift, de kans dat de commissie het proefschrift in zijn geheel gaat lezen en de geloofwaardigheid ervan. Nou wil ik bestrijden dat de geloofwaardigheid écht alleen maar toeneemt met de omvang. Mijn begeleider zei altijd dat een lang proefschrift een teken van onvolwassenheid van de promovendus was. Hij of zij had namelijk nog niet geleerd om hoofdzaken en bijzaken van elkaar te onderscheiden. Waar ik me wél heel wat bij kan voorstellen is dat de kans dat de commissie hem daadwerkelijk in zijn geheel leest toeneemt als het proefschrift korter is.

Nieuwsgierig werd ik door de vermelding van een soort optimum: 50.000 woorden.
Dat getal lijkt niet helemaal zomaar uit de lucht gegrepen te zijn, al kan ik in de blogposts van de studie die Marcus Beck erover uitvoerde, dat getal niet vinden. Mogelijk hebben ze het zelf uit de data gedestilleerd. Ik begrijp dat 50.000 woorden ook de omvang van een roman zoals die gehanteerd wordt bij de National Novel Writing Month , anderen hanteren normen die wat hoger liggen (zie ook deze) maar deze hanteert weer wat lagere aantallen (dank je voor de tip Marit!).
Hoe dan ook, ik was nieuwsgierig en heb mijn eigen proefschrift even in Word ingeladen. In de screenshot zie je de gegevens.

Totaal aantal woorden: 54.018 (inclusief voet- en eindnoten, dankwoord, samenvatting in Nederlands en Engels).

Best aardig in de buurt van die 50.000 woorden dus.

Nou weet ik van het onderzoek van Marcus Beck dat het aantal woorden per vakgebied erg kan verschillen. Maar toch de vraag: Hoe lang is die van jou?

p.s. Bij Wikipedia staan proefschriften gelukkig wel nog gewoon bij het kopje “non-fiction” 😉

Deel dit bericht:
jun 262015
 

cheaters_exposed Ik weet het niet hoor. Ik zal vast gewoon te braaf zijn, of te loyaal, of ik hou gewoon te veel van mijn partner. Maar ik had wat problemen om het echte probleem in het artikel “Divorce, Data Style” (oorspronkelijke titel was blijkbaar “Divorced by data”) te zien.
Het is niet écht een sensatie-artikel, een beetje wellicht. Het gaat over de grotere rol die ict, en dan met name gps speelt bij het vaststellen dat of aantonen dat een partner een relatie met een ander heeft.

Het artikel geeft heel terecht aan dat áls de ander de beschikbare technologische hulpmiddelen inzet die in het artikel genoemd worden, er natuurlijk hoe dan ook al iets mis is met de vertrouwensband tussen twee mensen.
En daarom zie ik ook niet echt het probleem van het gegeven dat er nu meer manieren zijn om er achter te komen dat iemand ontrouw is. Dat de verkeerde foto’s in de shared fotostream van de familie terecht komen is natuurlijk pijnlijk. Maar is zou eigenlijk haast zeggen dat het goed is dat het met de moderne technologie dan eerder ontdekt kan worden dan vroeger.

Want de stelregel is toch eigenlijk heel simpel: maak geen foto’s waarvan je niet zou willen dat je partner ze ziet, doe geen dingen met iemand anders waarvan je niet zou willen dat je partner dat weet.
Uitzondering is natuurlijk als je een verrassingsweekendje weg voor twee aan het organiseren bent. Dan moet je je fitnesstracker en smartphone thuis laten! 😉

Deel dit bericht:

Weblectures (en boeken)

 Gepubliceerd door om 10:21  Presentatie, Weblectures
jun 232015
 


Presentatiebestand gebruikt voor een korte presentatie bij de Werkgroep Nieuwe Ontwikkelingen Onderwijs en Media van Fontys op 22 juni 2015. In de presentatie vergelijk ik “weblectures” met boeken. Als je namelijk nadenkt over het gebruik van weblectures (wat kan, waar gebruik je ze voor, hoe hoog moet de kwaliteit zijn) in het onderwijs, dan kom je al een heel eind als je er op dezelfde manier naar kijkt als dat je met boeken zou doen.

Deel dit bericht:
jun 212015
 

Eerlijk gezegd kende ik de MOOC “Miracles of Human Language” van de Universiteit Leiden nog niet, totdat ik vandaag hun verzoek om een bijdrage voor extra modulen zag. Ik vind het een interessant concept. In principe zou je denken dat het niet zou moeten lukken. Immers, dan ga je er vanuit dat mensen iets dat ze gratis kunnen krijgen ook alleen gratis willen hebben.
Maar tot nu toe ziet het er naar uit dat het tegendeel waar is. De teller staat op € 8.690,- dus op 87% van het €10.000,- streefbedrag. En dat is zonder de donaties van dit weekend volgens mij want ik geloof dat hij zojuist niet omhoog gegaan is.

Ze hebben nog een dikke week voor de resterende € 310,- (iets minder dus waarschijnlijk). Je kunt ze dus nog helpen met een bijdrage. 
En als terzijde: ze maken gebruik van een Nederlands Crowdfunding platform. Dat doet vermoeden dat de logistiek achter het hele crowdfunding verhaal voor de Universiteit Leiden geregeld wordt. Het verklaard waarschijnlijk ook waarom elke donatie maar liefst € 0,40 aan onkosten met zich meebrengt. Je krijgt bij het doneren de optie om die kosten ook voor jouw rekening te nemen. Die transactiekosten zijn onafhankelijk van het gedoneerde bedrag of betaalwijze.

Doneren_MOOC

Deel dit bericht:

Zijn onderzoekers STAPELgek?

 Gepubliceerd door om 22:41  Internet, Onderzoek
jun 202015
 

Volkskrant_StapelEen verontrustend bericht op de site van de Volkskrant vandaag: “De verzinsels van frauderende wetenschappers als Diederik Stapel en Dirk Smeesters zijn nog steeds onder ons. Haast de helft van de formeel allang teruggetrokken studies wordt nog steeds geciteerd door nietsvermoedende collega-onderzoekers.”

Ik kwam er via een verkorte versie van het bericht op Omroep Brabant en op basis daarvan denk je al snel “zijn die onderzoekers die dat doen helemaal gek geworden?”.

Maar als je het bericht bij de Volkskrant leest dan merk je dat het iets genuanceerder ligt.
Voor de duidelijkheid: er zaten/zitten dingen écht fout. Persberichten die nog online blijven staan en naar de studies verwijzen zijn onhandig als ze van de onderzoeksinstelling zelf zijn. De actie “check al onze nieuwsberichten ooit zowel centraal als decentraal opgesteld voor deze studie” zal niet in het interne protocol van het afhandelen van zulke zaken gestaan hebben. Kan ik me ook wel weer iets bij voorstellen. Onderzoeken die hadden moeten worden terug getrokken en dat uiteindelijk niet bleken te zijn, dat is meer dan slordig.

De andere verklaringen van de onderzoekers die wél nog naar Stapel verwijzen klinken eveneens plausibel als je een beetje weet hoe zaken soms gaan. Als een onderzoek terug getrokken wordt en niet meer via het oorspronkelijke journal te verkrijgen is en/of als bij dat journal expliciet een vermelding staat dat het onderzoek niet te vertrouwen bleek, dan ziet een andere onderzoeker dat alleen als hij/zij bij die site terecht komt en het dan daar ziet.

Het vinden van PDF’s van artikelen is vaak echter een uitdaging. Niet iedereen werkt voor een universiteit die een abonnement op alle journals heeft die jij als onderzoeker nodig hebt. Losse artikelen kopen kost vaak best veel geld $30 – $50 dollar per artikel is geen uitzondering, terwijl je vaak pas bij het lezen ervan er achter komt of het een zinvol artikel was. Dan is Google gebruiken om de PDF op te sporen of bij bevriende onderzoekers navragen of zij de PDF toevallig hebben een veel goedkopere manier. Maar dan zie je dus ook geen melding bij de uitgever / bij het oorspronkelijke journal. Ja, je bent als onderzoeker verantwoordelijk voor je bronnen, maar nee, geen enkele onderzoeker zal kunnen beweren dat hij/zij dat altijd voor alle gebruikte bronnen doet. Kun je het ze dan kwalijk nemen? (het gemakkelijke antwoord is natuurlijk ja, maar toch)

Wellicht dat Google Scholar een duidelijkere notificatie kan geven bij terug getrokken artikelen? Of een “report this article” optie of zo. In een aantal gevallen kun je de “retraction notice” wel al gewoon zien als je zoekt:

DiederikStapelDe arcering in het geel is van mij.

Via Google Scholar kun je overigens zelf ook redelijk eenvoudig achterhalen welke artikelen die in 2015 gepubliceerd zijn nog naar terug getrokken artikelen verwijzen.

Deel dit bericht:
jun 192015
 

docentprofessionaliseringSURF heeft door de Universiteit Utrecht een inventarisatie laten uitvoeren naar de ICT-docentprofessionalisering. Het rapport is te downloaden via de kennisbank van SURF.
Naast de beschrijving van de resultaten van de inventarisatie worden er good practices uit het hbo en wo gepresenteerd. Aan bod komen: Fontys Hogescholen, Hogeschool Utrecht, Hogeschool van Amsterdam, NHTV, Open Universiteit, Saxion, SUMMA Master Geneeskunde (Universiteit Utrecht), TU Delft, Wageningen Universiteit and Research centre.

De auteurs beschrijven ook de volgens hun belangrijkste en meest inspirerende lessen die in de good practices naar voren komen. Ik heb ze hieronder integraal overgenomen. De accentueringen heb ik toegevoeg:

  • De ICT-infrastructuur binnen de instelling is op orde, zodat een goede integratie van ICT in het onderwijs mogelijk is.
  • Er is een fijnmazige en gevarieerde ondersteuningsstructuur beschikbaar waarin ICT-ondersteuners, technische en onderwijskundige ondersteuners nauw met elkaar samenwerken. In ieder geval op decentraal niveau en meestal ook op centraal niveau. Het ontwikkelen van ICT geïntegreerd onderwijs vindt eigenlijk altijd in multidisciplinaire teams plaats waarin docenten, samen met ICT- en onderwijskundige ondersteuners onderwijs ontwikkelen (TPACK-model).
  • De instellingen hebben een visie op ICT in het onderwijs. Het instellingsbeleid op het gebied van onderwijs en ICT wordt actief ondersteund vanuit het college van bestuur en gevoed vanuit decentraal niveau, bijvoorbeeld met een programmaregiegroep, klankbordgroepen, kennistafels of ICT-tafels. Ervaringen en resultaten van ICT- ontwikkelprojecten worden over facultaire grenzen heen gedeeld. Voor het draagvlak en ter inspiratie is het organiseren van project- en productpresentaties en onderlinge uitwisseling op instellingsniveau belangrijk.
  • Studenten worden ingezet in de professionalisering en ondersteuning van docenten die ICT in hun onderwijs willen integreren en bij het maken van kennisclips.
  • Een aantal good practices hanteert een professionaliseringconcept waarin het vooral docenten zijn die elkaar helpen bij de ontwikkeling van ICT-geïntegreerd onderwijs, daarbij ondersteund door het tandem ICT/onderwijskundige ondersteuners. Het professionaliseringsconcept bestaat dus uit samen ontwikkelen of co- in plaats van ‘scholing’. Hierin kan een ontwikkeling naar professionele leergemeenschappen gezien worden. Voordelen van deze aanpak zijn onder andere de nabijheid, laagdrempeligheid, olievlekwerking en erkenning van door docenten zelf ontwikkelde deskundigheid (voorlopers, affiniteit). De overdraagbaarheid van deskundigheid van de ICT- en onderwijskundige professionals en de expertiseontwikkeling van de seniordocenten zelf blijkt echter in de praktijk toch minder snel te gaan dan verwacht. Dit weerspiegelt ook hoe complex de ontwikkeling van ICT-geïntegreerd onderwijs in de praktijk is.
  • De TPACK-benadering voldoet goed bij het ontwerpen van ICT geïntegreerd onderwijs/blended learning. Het zorgt ervoor dat de visie op leren leidend blijft in
    duurzame onderwijsontwikkeling en de ICT-tools niet de overhand krijgen: ICT als middel en niet als doel.
  • In de BDB/BKO-scholing is ICT geïntegreerd in de onderdelen onderwijsuitvoering en onderwijsontwikkeling. Vanwege de BDB/BKO-criteria moet de docent voorbeelden opnemen in het portfolio ter afronding van de BDB/BKO van eigen onderwijs waarin ICT is toegepast. De ontwikkeling van ICT-geïntegreerd onderwijs krijgt zo een stimulans door de invulling en toetsing van de BDB/BKO.
  • De ruimte om te experimenteren met ICT en nieuwe dingen in het onderwijs te ontwikkelen wordt geboden in de professionaliseringstrajecten terwijl er ook behoefte is om in de reguliere onderwijspraktijk met ICT te kunnen experimenteren. De tijd (ontwikkeluren en ruimte in het rooster) is daarvoor meestal afwezig.
  • Vooral in het hbo, maar ook bij de TU Delft, is de ontwikkeling van ICT- bekwaamheden van docenten zowel deel van het strategisch onderwijs beleid, als van het personeelsbeleid. HR is actief betrokken als aanbieder van aanvullende scholingstrajecten als bij het monitoren van de voortgang in docentontwikkeling in de reguliere cyclus van beoordelings- en ontwikkelingsgesprekken.
  • Met het gebruik van ICT- geïntegreerd onderwijs is aandacht nodig voor mediawijsheid, ethiek en de waarborging van een veilige leeromgeving, bijvoorbeeld als
    sociale media ingezet worden in het onderwijs.
Deel dit bericht:
jun 182015
 

ORD2015De keynote van Bas Haring was weer leuk, interessant en prikkelend. De sessie over Learning Analytics was weer een voorbeeld van waar de VOR en ICT niet altijd even aligned zijn. De sessie over weblectures op basis van onderzoek dat gedaan is/wordt bij de MLI van Inholland was interessant (maar bekend omdat ik twee van de drie thesissen die gepresenteerd waren al intensief gelezen had). Maar dé sessie van de dag was voor mij toch wel “Technologie in actie. Over de rol van materialiteit in onderwijs en leren“. Al was het maar omdat ik het woord “Materialiteit” niet kende. Wikipedia kent het wel, maar daar is het een term uit de accounting en auditing, en dat was het hier zeker niet. Het gaat hier om de materiële elementen van onze wereld en meer specifiek in dit geval de technologie die we inzetten in ons onderwijs.

Daarbij moet je technologie dan wel ruim zien, een boek, een krijtbord, tafeltjes en stoelen, het zijn allemaal materiële elementen.

Centrale boodschap: technologie is niet neutraal. Het leidt altijd tot een transformatie van de werkelijkheid. Bepaalde aspecten van die werkelijkheid worden versterkt of verzwakt. Je moet in het onderwijs bewust gebruik maken van de mogelijkheden van de technologie en niet zomaar uitsluitend substitutie toepassen.

Joke Voogt, Jo Tondeur (bijgestaan door Ellen De Bruyne), Virginie März en Mathias Decuypere gingen elk in op een deelaspect hiervan. Joke keek naar het theoretisch model erachter, ze ging bijvoorbeeld in op Ihde (1993) die een viertal relaties van technologie onderscheidt:

  1. Inlijvingsrelatie – bv bril, auto. Techniek is een verlengstuk voor de mens.
  2. Hermeneutische relatie – bv thermometer, simulatie op computer.  Technologie geeft een representatie van de werkelijkheid en de mens moet deze interpreteren.
  3. Alteriteitsrelatie – bv  thermostaat, de “rekentuin“. Mens interacteert met de werkelijkheid via technologie / de technologie als “quasi ander”.
  4. Achtergrondsrelatie – bv licht, elektriciteit. De onopgemerkte technologie, was maar meer technologie zo.

Zij pleit voor het openbreken van de black box die ICT in het onderwijs vaak nog is, zodat we bewuster nadenken over waarom we welke ICT op welke manier voor welk doel inzetten.

Jo Tondeur vertelde over een inventarisatie van het ontwerp van klaslokalen die ze in België hebben uitgevoerde en Ellen de Bruyne lichtte een aantal casussen toe. Het uitgebreide artikel dat ze hierover schreven is hier online te vinden.
Virginie März ging in op de Vlaamse variant op het Digitaal OverdrachtsDossier, daar de BaSO-fiche genaamd en het effect die dat dossier had op de verhoudingen en relaties tussen ouders en docenten, de wijze waarop docenten oordelen over leerlingen vastleggen etc.

Mathias Decuypere ging ook in op de inrichting van leslokalen, maar dan specifiek in relatie tot de positie van het (projectie-)scherm. Afhankelijk van de inrichting zijn bepaalde werkvormen wel of juist niet mogelijk (compatibel of niet).

Nu kun je zeggen “als je uit gaat van didactische vragen, dan kom je van daaruit vanzelf wel bij de functionele wensen van de technologie. In een ideale wereld kan ik me daar wat bij voorstellen. Maar ik vrees dat onze wereld niet zo ideaal is dat je daar vanuit kunt gaan. Wel denk ik dat je niet van elke docent kunt/mag verwachten dat hij/zij al de eigenschappen van technologie kent. Daar zal hij/zij ondersteuning bij nodig hebben.

Grappig was overigens wel dat Jo Tondeur aangaf dat ze de invloed van mobiele apparaten op het onderwijs nog niet hadden kunnen onderzoeken omdat daar ik Vlaanderen nauwelijks al gebruik van gemaakt werd. Zijn verwachting was dat het leidt tot flexibeler gebruik. Mijn vraag is dan waarom we soms zo ingewikkeld doen over Steve Jobs-scholen die ook mobiel gebruik van ICT toepassen.

Belangrijkste kritiekpunt bij de verhalen van vandaag is wat mij betreft dat ze nog heel ver weg zijn van de vraag “en wat doen we dan met die kennis? hoe maken we dan het onderwijs beter?”.  We doen onderzoek immers niet alleen om het onderzoek. Dat is hopelijk iets voor de ORD 2016 in Rotterdam.

p.s. Ruben Vanderlinde vervulde de referententrol op uitstekende wijze. Mooi als er ook positief kritische noten bij presentaties / onderzoek geplaatst worden.

p.p.s. de verschillende presentaties staan nog niet online, maar de sprekers waren beschikbaar voor vragen via de mail.

p.p.p.s. en zeg nou zelf: Materialiteit klinkt toch veel beter dan Technologie? 😉

Deel dit bericht:
jun 162015
 

Voor als je hem nog niet gezien hebt is hier de demo die Microsoft gaf van hun Hololens in combinatie met Minecraft. Er werd gezegd dat het werkende code was, maar natuurlijk nog niet wanneer de combinatie ver genoeg af is om te gaan verkopen of hoeveel hij moet gaan kosten. Maar het filmpje laat wel al heel veel van de potentie van de combinatie van beiden zien. Ik vond zelf Minecraft in combinatie met de Oculus Rift al heel cool. Het rondvliegen over de wereld, het gewoon rond kunnen kijken door je hoofd te bewegen, het gaf een heel apart gevoel. Stembesturing en je vingers kunnen gebruiken om dingen vast te pakken in plaats van een losse controller, mits voldoende precies helpen daar dan extra bij.

Daar staat tegenover dat de Hololens minder “immersive” is omdat je ook de omgeving kunt zien. Of dat voor zo’n spel goed of slecht is weet ik niet. In het filmpje gebruiken ze een camera met een gemonteerde hololens om ons mee te laten kijken, af en toe zie je het “echte” beeld waarbij ook duidelijk wordt dat het er wel heel erg zot uitziet voor een niet-hololens drager als iemand in de lucht staat te “plukken”.

Het blijft afwachten en voorlopig moeten we het nog even met zulke demo’s doen en hopen dat het geen vapourware blijkt te zijn.

Deel dit bericht: