Mrt 132014
 

Flexibel_hoger_onderwijs_voor_volwassenenGisteren verscheen het adviesrapport “Flexibel hoger onderwijs voor volwassenen“. Het is een rapport van een commissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de te nemen maatregelen die zouden moeten leiden tot een grotere deelname van de volwassen beroepsbevolking, zoals dat dan zo mooi heet, aan het hoger onderwijs.

Het gaat namelijk niet goed met de deeltijdopleidingen binnen het hoger onderwijs. Het aantal ingeschreven deeltijders neemt al een paar jaar af. En deelname blijft al helemaal achter als je het vergelijkt met internationale getallen over deelname aan deeltijd hoger onderwijs.
Ik was bij voorbaat heel benieuwd naar de rol die online onderwijs in het rapport gekregen had, want als ik vanuit het HBO onderwijs kijk dan lijkt me dát nou juist een plek waar we winst zouden moeten kunnen halen.

Het advies bevat een korte beschrijving van de stand van zaken en ontwikkelingen en daarna een tiental aanbevelingen, die ik hierna kort zal bespreken.

Het advies begint met het gesprek over het geld. Beetje jammer natuurlijk, maar het is van de andere kant ook zo dat zonder dat er op zijn minst kostendekkende financiering geregeld is, er niets van de grond komt. D.w.z. het moet voor studenten betaalbaar zijn en voor onderwijsinstellingen rendabel.
In de context van deze blogpost laat ik de details van dat deel van het advies echter graag even liggen.

Het tweede aspect van het adviesrapport adviseert om pilots in te richten met als doel de inrichting van het onderwijs te flexibiliseren. Er wordt betoogd dat er meer in termen van leeruitkomsten gesproken moet worden en minder in vaststaande onderwijsprogramma’s, aantallen contacturen en uren studielast. Enerzijds lijkt me dat logisch, anderzijds is zoiets als aantallen uren “te verwachten” (belangrijke toevoeging!) studielast iets wat je ook bij leeruitkomsten zult moeten beschrijven, maar ik neem aan dat ze bedoelen dat de te verwachten studielast afhankelijk van de voorkennis van de studenten moet kunnen varieren en geen doel op zich moet zijn. Helder. Ik ben heel benieuwd naar de pilots op dit gebied, zeker als ze gekoppeld worden aan deelaspect zes (zie verderop).

Derde aspect is het versterken van het aanbod van doorgroei mogelijkheden voor mbo-afgestudeerden. Ook hier zie ik kansen als dat gekoppeld wordt met het vorige deelaspect (flexibiliseren van programma’s) én deelaspect zes (online onderwijs).

Het vierde deeladvies, het versterken van het aanbod en het gebruik van procedures voor validering in het hoger onderwijs roept eigenlijk opnieuw op tot het inrichten van mogelijkheden tot het laten erkennen van elders verworven competenties (werkervaring, trainingen, cursussen). Dat advies is niet nieuw, al lijkt de politieke bereidheid daartoe te variëren met de tijd, maar in het kader van het erkennen van bijvoorbeeld certificaten die behaald zijn via MOOCs of andere vormen van online onderwijs, is het ook nu nog steeds heel relevant.

Het vijfde deeladvies, het maken van afspraken over het inbrengen van studiepunten die bij de ene opleiding behaald zijn bij een andere opleiding, staat wat mij betreft ook als een paal boven water. In het advies wordt daar terecht aan gekoppeld dat leeruitkomsten meer leerwegonafhankelijk geformuleerd moeten worden. Dat lijkt me best wel een fundamentele verandering voor onderwijsinstellingen. Want tot nu toe was het meestal zo dat je een onderwijsprogramma hebt met daarbinnen vakken/modules/thema’s/onderwerpen die in die specifieke context allemaal hun logische plekken hebben. Er vanuit gaan dat je individuele onderdelen ook buiten die context, voor andere opleiders, zinvol moet beschrijven, zal even omschakelen zijn. Dat voelt namelijk ook een beetje als het gemakkelijker maken voor studenten om naar de concurrent over te stappen.

Als deeladvies zes komt dan gelukkig ook het versterken van het online aanbod aan bod. Daarbij wordt uiteraard (?) verwezen naar MOOC’s,en de noodzaak om op die manier behaalde competenties te valideren, maar niet uitsluitend. Ook het stimuleren van het met een open licentie beschikbaar stellen van het eigen onderwijsmateriaal zodat andere instellingen het kunnen hergebruiken komt aan bod.
Hoe die adequate expertise en ondersteuning van instellingen bij de ontwikkeling en implementatie van online onderwijs vorm moet krijgen wordt niet echt uitgewerkt, anders dan het advies om samen te werken in Centers of Expertise.

Deeladvies zeven wijst op het gebruik van de werkplek voor leeractiviteiten. Spreekt uiteraard voor zich dat je met name bij de deeltijdopleidingen die praktijk gebruikt om te borgen dat de opleiding die mensen volgen ook daadwerkelijk aansluit bij hun beroep.

Deeladvies acht roept OCW, NVAO en Inspectie op om helderheid te geven met betrekking tot de ruimte voor versterken van de flexibiliteit en vraaggerichtheid van het onderwijs. Ik kan niet helemaal inschatten hoeveel formele drempels er nog zijn, maar het spreekt voor zich dat die bij voorkeur weg genomen moeten worden.

Deeladvies negen bepleit de samenwerking tussen publieke aanbieders en private aanbieders en het wegnemen van bestaande belemmeringen op dat gebied. Dat zal hier en daar nog wel wat voeten in de aarde hebben. Want natuurlijk vinden ‘wij’ van WC-eend dat er niets beters is dan WC-eend. 😉

Deeladvies tien tenslotte roept op om dit geheel te verankeren in het beleid van de onderwijsinstellingen door het ook te vertalen naar wet- en regelgeving en op te nemen in de profilering en prestatieafspraken. Ik zie dat even als de stok achter de deur voor als ‘wij’ onderwijsinstellingen onwillig zouden zijn.

Samenvattend
Het is aan het onderwijs eigen dat we een uitgebreide discussie kunnen (zullen?) gaan voeren over de tien deeladvies, de vraag of zwaartepunten, kanttekeningen, punten en komma’s wel op de juiste plek staan. Mij lijken het voornamelijk logische, maar vaak ook heel voor de hand liggende, aanbevelingen.

Als ik dan tóch een kritische kanttekening zou moeten plaatsen, dan zou het kunnen zijn dat ik een aanbeveling met betrekking tot het maximaal benutten van de koppeling initieel – post-initieel onderwijs mis. Want die kun je als onderwijsinstelling eigenlijk niet los van elkaar zien. Natuurlijk, beide hebben verschillende groepen studenten (qua leeftijd, zelfstandigheid, werkervaring, beschikbare tijd) en deels verschillende onderwijsinhouden. Maar waarom zou een module, gericht op de deeltijders niet ook een verdiepingsmodule voor de reguliere voltijdstudenten kunnen zijn? Waarom zouden de maatregelen die getroffen kunnen (moeten?) worden om het deeltijdonderwijs aantekkelijker te maken rond EVC’s, online onderwijs, flexibilisering niet ook gelden voor het intitieel onderwijs? Mogelijk wil je een gelaagdheid aanbrengen: eerst implementeren bij je deeltijdopleiding en dan vertalen naar je voltijd, maar het is dan wel iets om in je achterhoofd te houden. Ook als het gaat om de vraag wat/hoeveel je er in wilt investeren.

En nu verder?
En mijn vraag zou ook zijn: hoe nu verder?
Moeten “wij” wachten op een reactie van het Ministerie? Of hebben we hier voldoende aan om ook als hoger onderwijs onze lijnen rond deeltijdonderwijs (opnieuw) uit te zetten?
De tijd lijkt me er in ieder geval rijp voor. De hype rond MOOC’s heeft in ieder geval laten zien dát er voldoende mogelijkheden en kansen zijn op het gebied van deeltijdonderwijs. Het rapport noemt geen redenen waarom we dat in Nederland niet ook voor elkaar moeten kunnen krijgen.

Deel dit bericht:

  7 reacties aan “Adviesrapport “Flexibel hoger onderwijs voor volwassenen””

Sorry, het reactieformulier is momenteel gesloten.